dinsdag 8 december 2009

Familie

We zijn een weekje in Nederland. Zo vaak zijn we er niet, dus we moeten uitgebreid op familiebezoek. Verschillende opa’s, oma’s, zojuist omgedoopte opi en omi’s, overgrootoma’s, oudooms en wat dies meer zij worden bezocht.

Eerst komen we bij elkaar met opa, oma, tante Roos, oom Bas, tante Anneke en niet te vergeten neef Tom. Wat een liefie! Maar wat is dat toch, als je familie en baby’s bij elkaar zet, dat het gesprek vooral gaat over wie op wie lijkt? En iedereen vindt wat anders. Eigenlijk kun je in elk kind zien wat je wilt zien. Ik vind zelf dat Linde op mijn zus en mijn moeder lijkt. Vooral als ze lacht met die lieve kuiltjes in haar wangen, sprekend tante Roos. En dat ze daarnaast erg op haar vader lijkt. Papa Roel vind juist dat ze op zíjn zus lijkt, tante Frederiek. En de meeste van mijn vrienden roepen als ik met haar binnenkom, ‘Wat lijkt ze op jou!’

Van Tijm vindt iedereen dat hij op zijn vader lijkt. Behalve ik. Ik herken juist heel erg mezelf in hem. En ik heb bewijs. Een foto van mij op zijn leeftijd. Ik laat hem, zonder iets te zeggen, zien aan de nanny. ‘Wat een leuke foto van Tijm!’ reageert ze. ‘Ha!’ denk ik vergenoegd. Eigenlijk zou ik de foto bij me moeten dragen, want men lijkt nog steeds niet overtuigd. Zelfs mijn moeder, die beter zou moeten weten, noemt Tijm ‘echt een klein Roeltje.’

Bij Tom ben ik er nog niet over uit. Al voelt hij meteen heel ‘eigen’ als hij bij mij op schoot zit - meer dan baby’s van vriendinnen - ik herken er uiterlijk gezien niet echt onze familie in. Niet de karakteristieke centenbak, puntkin of bolle kop. Zijn gedrag komt me wel bekend voor. Misschien dat hij daarom meteen aanvoelde als familie op mijn schoot? Hij lijkt me geen groot schootzitter. Hij strekt meteen fanatiek de armen en benen. Als het even kon zou hij zo weglopen. Je voelt ook de kracht in de kleine beentjes. Veel meer dan bij Linde, die toch drie maanden ouder is. Die laat zich lekker onderuit zakken op je schoot. Maar Tijm was precies hetzelfde. Zou het dan typisch iets van jongetjes zijn? Dat fanatieke lijfje? Volgens oma niet, want Tante Roos was precies zo. Erger zelfs.

Dus dan begint het grote vergelijken. Wie kon wat het eerst of juist het laatst. En dan is natuurlijk altijd de conclusie dat ze allemaal lief zijn. En uniek. Maar zeker niet normaal, want dat is saai. Gelukkig is het bezoek daarna bij opi en omi zo druk en chaotisch (het is al laat, dus kindjes moe) dat we hier het grote wie-lijkt-op-wie-spel hebben overgeslagen. Of, meer waarschijnlijk, ik heb het gemist.

Ook gaan we op bezoek bij overgrootoma. Dat is toch wel heel bijzonder lijkt me, op schoot zitten met je achterkleindochter. Ik kan me er al weinig bij voorstellen dat Linde ooit een dochter krijgt. En dat die dan dus op haar beurt ook weer een dochter krijgt. En dat ik dat mag meemaken! Dat moet heel raar zijn. En mooi tegelijk. Op bezoek bij oud-oudoom Teu (een 10 jaar oudere broer van overgrootoma, niet ver van zijn honderdjarig jubileum) kijkt deze hoofdschuddend en tegelijk glimlachend mijn moeder aan, die met Linde op schoot zit. ‘Evelientje als oma, gekker moet het niet worden!’ Daar lijkt me alles mee gezegd.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen