Ik voelde me niet zo lekker. Ik wilde wel eerder schrijven over alle belangrijke dingen die er afgelopen week gebeurden. Over de nieuwe koning. Over Linde, die vier werd en naar groep 1 mocht. Over de Nederlandse expat gemeenschap die niet één dag maar dagenlang feest vierde, in het oranje, om de lokale bevolking te laten zien met hoeveel en hoe gek we wel niet waren. Over de champagnebar in de stad waar de we de inhuldiging zagen, en waar ze naast bitterballen en haring hutspot als barsnack serveerden. Over de vrijmarkt op de Hollandse Club waar de kinderen hun spaarpot leegkochten. Over de grote nieuwe tv waarop we, online, de inhuldiging nog eens zagen, en samen met de kinderen de mooie Máxima en de prinsesjes, in koninklijk blauw, bewonderden. De echte prinsesjes, dan wel blond maar zo anders dan die van Disney, en met hun bolle wangen en gapen zoveel mooier en perfecter.
Zo veel feesten, maar ik, die me niet lekker voelde, kon niet voluit meedoen. Maar hoe je je ook voelt, als moeder is er geen excuus voor een meisje dat vier wordt en een feestje wil. Of voor een vijfjarige jongen die beloofd is dat mama komt helpen met de oud Hollandse spelletjes. Of de tweejarige die alles wil.
Dus hadden we een feestje, de kinderen versierden hun eigen kroon, en cakejes, verkleedden zich als prinsen en prinsessen, zongen Happy Birthday, Lang zal ze leven en aten zelfgebakken aardbeientaart. Linde kreeg prinsessen en Barbie en veel bling. Bij de fietsenwinkel waar we het verjaardagskado gingen uitzoeken stroomden de tranen, toen Linde de zo begeerde prinsessenfiets niet mocht, omdat er ergens een grens is aan hoeveel Disney prinsessen een moeder kan verdragen.
Ook op school, in de nieuwe groep 1d, was er een feestje, en koningin Linde zat gelaten en ietwat verlegen op haar troon in de kring, de grote rode kroon met de 4 op haar blonde lokken. Er werd getrakteerd, dezelfde zakjes met popcorn en snoep als bij het afscheid van de peuterschool een paar dagen eerder. Ophalen mocht ik niet, ze ging wel met de bus terug. En op mijn vragen hoe het was, op school, kwam niet meer antwoord dan dat het leuk was. Ze zei toch dat het leuk was, mama, en stampte naar boven om haar nieuwe prinsessenjurk te halen.
Toen ik bij mijn arts, in het Singaporese ziekenhuis dat meer lijkt op een luxe hotel, klaagde dat het herstel na de operatie zo langzaam ging, had hij maar één advies. Rust. Dus nu lig ik op mijn bed en ontspan mijn lichaam, behalve de toppen van mijn vingers die heen en weer gaan over de toetsen. De feesten zijn voorbij. De prinses is weer naar school. De koningin gaat rusten.
maandag 6 mei 2013
donderdag 25 april 2013
De hulp
Het leven in Singapore komt met gemakken. In de vorm van goedkope, de hele dag beschikbare, huishoudelijke hulp. De welgestelde, of zelfs maar gemiddeld gestelde, Singaporese huisvrouw hoeft zich niet bezig te houden met beslommeringen als de was, vloeren dweilen of de boodschappen. Zo is er meer tijd voor belangrijker zaken. Koffie drinken bijvoorbeeld, met vriendinnen.
Terwijl de kinderen het houten winkeltje in de hoek van de woonkamer leegkopen, de poppenwagen rondrijden, of torens van duplo kraaiend omgooien, schenk ik hun moeders nog eens bij met ijsthee. Een vriendin veegt haar voorhoofd af. Warm vandaag. Ik presenteer mijn zelfgemaakte Hollandse ontbijtkoek, die geproefd en goedgekeurd wordt door de Engelse, Australische en Indiase aanwezigen. We praten over bakken. Koken.
En al gauw, over de hulp. De Australische vriendin is al aan haar derde. Of ze kunnen niet schoonmaken, of ze hebben geen overwicht op de kinderen, moppert ze. Ze heeft ook altijd pech. De andere, Indiase, verteld over haar nieuwe hulp, die zes jaar bij een Indiaas gezin werkte, en alles aan benodigde kooktechnieken kende, zei ze. Tot mijn vriendin haar vroeg chapati’s te rollen, met een deegroller. De Filipijnse rolde alleen haar ogen. Waar was de elektrische chapatimaker? Van de vegetarische keuken die mijn vriendin verwachtte begreep het meisje weinig, en ze overwoog haar een cursus te laten volgen. Kookcursussen voor de hulp worden overal aangeboden in Singapore. Westers eten, Chinees, Indiaas, Japans of Koreaans, wat de werkgever ook het liefste eet.
Ik weet niet of er een cursus bestaat die die van mij iets kan brengen, verzucht de Engelse, ze kan eieren laten aanbranden. We knikken al, maar ze roept, nee, echt, letterlijk. Ze had de eieren een uur laten koken, tot het water weg en de pan zwart was. Mijn vriendin zucht nog eens, ze is zo leuk met de kinderen.
Klagen over de hulp. Het beschrevene is onschuldig vergeleken met meer dat ik aanhoorde. In deze ongemakkelijke, maar toch heel menselijke, gesprekken worden de oude koloniale pijnpunten van deze hypermoderne stad wrang blootgelegd. De meisjes, die uit heel arme en afgelegen dorpen uit de Filipijnen of Indonesië komen, hebben vaak weinig gemeen met hun Chinese, Indiase of Westerse werkgevers.
Ik klaag, liever, niet mee. Maar ik ben ook maar een mens, de zon is heet en de ijsthee koel. Mijn grootste klacht? Indah kan te goed koken. En ze doet het zo graag. Ik had me voorgenomen het zelf te blijven doen, maar vaak ben ik in de tropische hitte lui of moe. De middagen zijn vol met zwemles, ballet en voetbal, en kooktijd voor de volwassenen valt steevast samen met de kinderbedtijd, die ik liever niet uit handen geef. Dus laat ik Indah, als die met glimmende pretogen vraagt wat ze vanavond klaar mag maken, veel te vaak de eer. Elk recept dat ik haar geef maakt ze feilloos na, beter dan ikzelf, die me aan geen recept houden kan. Zelfs van mijn, ‘doe maar wat leuks met aubergine en gember’ weet ze wat te maken.
Het beste koken we samen, haar Aziatische ervaring en uitmuntende snijkunsten gekoppeld aan mijn Westerse en technische kennis. We zijn een goed team, mijn Indonesische hulp en ik. In onze keuken creëren we echte ‘fusion’.
Ditzelfde verhaal, maar dan met een lekker recept van Indah voor vis in ketjap manis, vind je ook hier
Terwijl de kinderen het houten winkeltje in de hoek van de woonkamer leegkopen, de poppenwagen rondrijden, of torens van duplo kraaiend omgooien, schenk ik hun moeders nog eens bij met ijsthee. Een vriendin veegt haar voorhoofd af. Warm vandaag. Ik presenteer mijn zelfgemaakte Hollandse ontbijtkoek, die geproefd en goedgekeurd wordt door de Engelse, Australische en Indiase aanwezigen. We praten over bakken. Koken.
En al gauw, over de hulp. De Australische vriendin is al aan haar derde. Of ze kunnen niet schoonmaken, of ze hebben geen overwicht op de kinderen, moppert ze. Ze heeft ook altijd pech. De andere, Indiase, verteld over haar nieuwe hulp, die zes jaar bij een Indiaas gezin werkte, en alles aan benodigde kooktechnieken kende, zei ze. Tot mijn vriendin haar vroeg chapati’s te rollen, met een deegroller. De Filipijnse rolde alleen haar ogen. Waar was de elektrische chapatimaker? Van de vegetarische keuken die mijn vriendin verwachtte begreep het meisje weinig, en ze overwoog haar een cursus te laten volgen. Kookcursussen voor de hulp worden overal aangeboden in Singapore. Westers eten, Chinees, Indiaas, Japans of Koreaans, wat de werkgever ook het liefste eet.
Ik weet niet of er een cursus bestaat die die van mij iets kan brengen, verzucht de Engelse, ze kan eieren laten aanbranden. We knikken al, maar ze roept, nee, echt, letterlijk. Ze had de eieren een uur laten koken, tot het water weg en de pan zwart was. Mijn vriendin zucht nog eens, ze is zo leuk met de kinderen.
Klagen over de hulp. Het beschrevene is onschuldig vergeleken met meer dat ik aanhoorde. In deze ongemakkelijke, maar toch heel menselijke, gesprekken worden de oude koloniale pijnpunten van deze hypermoderne stad wrang blootgelegd. De meisjes, die uit heel arme en afgelegen dorpen uit de Filipijnen of Indonesië komen, hebben vaak weinig gemeen met hun Chinese, Indiase of Westerse werkgevers.
Ik klaag, liever, niet mee. Maar ik ben ook maar een mens, de zon is heet en de ijsthee koel. Mijn grootste klacht? Indah kan te goed koken. En ze doet het zo graag. Ik had me voorgenomen het zelf te blijven doen, maar vaak ben ik in de tropische hitte lui of moe. De middagen zijn vol met zwemles, ballet en voetbal, en kooktijd voor de volwassenen valt steevast samen met de kinderbedtijd, die ik liever niet uit handen geef. Dus laat ik Indah, als die met glimmende pretogen vraagt wat ze vanavond klaar mag maken, veel te vaak de eer. Elk recept dat ik haar geef maakt ze feilloos na, beter dan ikzelf, die me aan geen recept houden kan. Zelfs van mijn, ‘doe maar wat leuks met aubergine en gember’ weet ze wat te maken.
Het beste koken we samen, haar Aziatische ervaring en uitmuntende snijkunsten gekoppeld aan mijn Westerse en technische kennis. We zijn een goed team, mijn Indonesische hulp en ik. In onze keuken creëren we echte ‘fusion’.
Ditzelfde verhaal, maar dan met een lekker recept van Indah voor vis in ketjap manis, vind je ook hier
maandag 15 april 2013
De mooiste speeltuin
Het werd tijd onze peuters en kleuters wat cultuur bij te brengen en we boekten een reis van vijf dagen naar Cambodja, om de beroemde tempels van Angkor Wat te bezichtigen. Bij het inpakken bladeren we door de reisgids, en lezen dat April de heetste maand van het jaar is. Veertig graden in de schaduw. Minstens.
De hitte schrikt ons niet af, en om half acht gaan we op pad, vroeg wakker waren we toch al, en nu is het nog koel. Mr Ouch, chauffeur van onze tuk tuk, een karretje met twee bankjes achter een stevige brommer, zal ons deze week heen en weer tuffen. Met de hete wind in ons haar, rood stof overal, proberen we peuterhandjes en pinguïns binnenboord te houden.
We lopen het park van Angkor Wat door en de indrukwekkende toegangspoort in. Tijm rent meteen een stapel zandstenen blokken op. ‘Kom Linde, klimmen!’
In de tempels, met hun galerijen, trappen en torens kun je heerlijk dwalen en klauteren. Het is de mooiste speeltuin van de wereld.
Allemaal klimmen we hoger, de torens op, en om elke hoek wordt het prachtiger. Schitterende reliëfs en beelden zijn uitgekerfd in zandsteen, bijna een millennium oud. Danseressen met sierlijk gekrulde vingers. Mysterieus glimlachende boeddha’s. Grimassende leeuwen. Ik wijs naar een hele steile trap, op de top van deze deels boeddhistische, deels hindoestaanse tempel, zo steil dat kinderen er niet op mogen, en ik lees voor uit de gids, dat die zo steil is, omdat de weg naar god nu eenmaal moeilijk is.
De hitte schrikt ons niet af, en om half acht gaan we op pad, vroeg wakker waren we toch al, en nu is het nog koel. Mr Ouch, chauffeur van onze tuk tuk, een karretje met twee bankjes achter een stevige brommer, zal ons deze week heen en weer tuffen. Met de hete wind in ons haar, rood stof overal, proberen we peuterhandjes en pinguïns binnenboord te houden.
We lopen het park van Angkor Wat door en de indrukwekkende toegangspoort in. Tijm rent meteen een stapel zandstenen blokken op. ‘Kom Linde, klimmen!’
In de tempels, met hun galerijen, trappen en torens kun je heerlijk dwalen en klauteren. Het is de mooiste speeltuin van de wereld.
Allemaal klimmen we hoger, de torens op, en om elke hoek wordt het prachtiger. Schitterende reliëfs en beelden zijn uitgekerfd in zandsteen, bijna een millennium oud. Danseressen met sierlijk gekrulde vingers. Mysterieus glimlachende boeddha’s. Grimassende leeuwen. Ik wijs naar een hele steile trap, op de top van deze deels boeddhistische, deels hindoestaanse tempel, zo steil dat kinderen er niet op mogen, en ik lees voor uit de gids, dat die zo steil is, omdat de weg naar god nu eenmaal moeilijk is.
‘Waarom is de weg naar god moeilijk?’ vraagt Tijm.
Ik zucht en denk na. ‘Omdat de weg naar god gaat door lief te zijn,’ suggereer ik, ‘en omdat het voor veel mensen makkelijker is om stout te zijn.’
Tijm knikt, en ik ben blij dat hij niet verder vraagt. Vandaag tenminste niet. Op deze prachtige plek.
De volgende dag, bij een zijtempel van de Bayon in het Angkor Thom complex, zien we een net zo steile, maar veel kortere trap. Hier geen hek of bord met geboden, en natuurlijk moet Tijm naar boven. Daarna Linde, en als die terug is roept Jasmijn, net twee, in haar zangerige stemmetje ‘en nu ik, papa’.
Als Jasmijn weer beneden is krijgt ze applaus van een groep Koreaanse toeristen, en trots poseert ze voor hun knippende Ipads. Ze lachen, maar zelf durven ze niet.
Tijm en Linde zijn alweer verder, een stapel blokken op, en ik ren achter ze aan voor er ongelukken gebeuren, met de kinderen of de duizend jaar oude tempel.
‘Kom ook mama,’ roept Tijm. ‘Ik ben al op level twee.’
Even later hebben we allemaal level dertien bereikt en is het game over. Het mooiste spel dat we ooit speelden.
We zien meer tempels, nog veel meer, elke ochtend, tot het te heet wordt en Mr Ouch ons terugbrengt naar ons hotel met het kleine zwembadje op de binnenplaats, waar we de hitte van de middag uitzitten tot het tijd wordt voor een rustig tochtje in de tuk tuk, en de Cambodjaanse keuken eens te gaan proberen.
Na veel klimmen, over boomwortels en stenen, dwalen, slingeren aan lianen, wordt op de laatste dag verzucht, niet nog een tempel, mama, alsjeblieft. Genoeg. Te moe om te lopen in de hitte brengt de tuk tuk uitkomst, en we rijden rond en rond, tot we alles gezien hebben.
Dan staan we weer op het vliegveld van Siem Reap voor de vlucht naar huis. We hebben zo veel gezien. We hebben zo veel geklommen. Het leukste van de vakantie? De kinderen weten het wel. De tuk tuk, roepen ze, unaniem.
Jaja, jullie willen foto's zien... dat mag...
Kijk maar gauw op mijn Facebook pagina
Ik zucht en denk na. ‘Omdat de weg naar god gaat door lief te zijn,’ suggereer ik, ‘en omdat het voor veel mensen makkelijker is om stout te zijn.’
Tijm knikt, en ik ben blij dat hij niet verder vraagt. Vandaag tenminste niet. Op deze prachtige plek.
De volgende dag, bij een zijtempel van de Bayon in het Angkor Thom complex, zien we een net zo steile, maar veel kortere trap. Hier geen hek of bord met geboden, en natuurlijk moet Tijm naar boven. Daarna Linde, en als die terug is roept Jasmijn, net twee, in haar zangerige stemmetje ‘en nu ik, papa’.
Als Jasmijn weer beneden is krijgt ze applaus van een groep Koreaanse toeristen, en trots poseert ze voor hun knippende Ipads. Ze lachen, maar zelf durven ze niet.
Tijm en Linde zijn alweer verder, een stapel blokken op, en ik ren achter ze aan voor er ongelukken gebeuren, met de kinderen of de duizend jaar oude tempel.
‘Kom ook mama,’ roept Tijm. ‘Ik ben al op level twee.’
Even later hebben we allemaal level dertien bereikt en is het game over. Het mooiste spel dat we ooit speelden.
We zien meer tempels, nog veel meer, elke ochtend, tot het te heet wordt en Mr Ouch ons terugbrengt naar ons hotel met het kleine zwembadje op de binnenplaats, waar we de hitte van de middag uitzitten tot het tijd wordt voor een rustig tochtje in de tuk tuk, en de Cambodjaanse keuken eens te gaan proberen.
Na veel klimmen, over boomwortels en stenen, dwalen, slingeren aan lianen, wordt op de laatste dag verzucht, niet nog een tempel, mama, alsjeblieft. Genoeg. Te moe om te lopen in de hitte brengt de tuk tuk uitkomst, en we rijden rond en rond, tot we alles gezien hebben.
Dan staan we weer op het vliegveld van Siem Reap voor de vlucht naar huis. We hebben zo veel gezien. We hebben zo veel geklommen. Het leukste van de vakantie? De kinderen weten het wel. De tuk tuk, roepen ze, unaniem.
Jaja, jullie willen foto's zien... dat mag...
Kijk maar gauw op mijn Facebook pagina
donderdag 28 maart 2013
Gratis massage
‘Ik heb een voucher,’ zeg ik, het papiertje naar voren stekend, ‘voor een gratis massage.’
De oudere Chinese dame knikt, pakt het papiertje aan, en krabbelt wat in een boek.
Deze kant, wijst ze naar een gang met kleine kamertjes, afgeschermd door gordijntjes.
‘Wacht even,’ roep ik, wijzend naar de menukaart boven de balie.
‘Ik wil graag de aromatherapie olie. Kijk, die, voor vijf dollar extra.’
De dame schuifelt terug. Langzaam pakt ze mijn voucher op, staart ernaar.
‘Nee,’ schudt ze, ‘dit is voor een gewone massage.’
‘Ja, dat snap ik,’ antwoord ik. ‘Maar ik wil wel bijbetalen, die vijf dollar, dat is geen probleem.’
Ik wijs weer naar het bord, waar het duidelijk staat. De prijs voor een gewone massage. En de top-up, naar aromatherapie olie. Voor vijf dollar extra.
Ze schudt haar hoofd, staart nog eens naar het papiertje, en zegt gedecideerd:
‘Nee. Geen top-up mogelijk bij gratis massage.’
Ik wil in discussie gaan. Ik wil vragen of ze dan geen geld aan me wil verdienen, of ze niet snapt dat het nut van gratis massages aanbieden ligt in het zoveel mogelijk extra’s weten te slijten aan de klant, dat ze klantvriendelijk moet zijn om me aan zich te binden, zodat ik terugkom voor een betaalde sessie, en zo weet ik nog wel wat rationele argumenten.
Maar ik zie in haar ogen dat ik met rationele argumenten niet ga winnen. Deze voucher is voor een gewone massage. Exclusief extra’s.
Dit is Singapore.
Even later, in mijn eigen hokje, droogt het massagemeisje mijn voeten af na het gratis bijgeleverde voetbad.
‘U wil aroma olie, toch, mevrouw?’ vraagt ze in aarzelend Engels.
Ik knik. ‘Maar dat is niet mogelijk, begreep ik al, het maakt niet uit.’
Het meisje glimlacht, en schudt haar hoofd.
‘Kan wel. Maakt niet uit. Ik pak andere olie.’
Ze wijst naar twee flessen, naast elkaar op een plank.
Ik kijk haar aarzelend aan.
‘Mag dat wel?’ vraag ik voorzichtig.
‘Aroma olie geen probleem,’ lacht ze weer.
‘Maar. Niet vertellen aan mijn baas.’
Nu lachen we allebei, de samenzweerders. Ze masseert me, en ik geniet van de aanraking en de geur. De vijf dollar die ik haar aanbied wil ze niet accepteren.
Ook dit is Singapore.
Als ik naar buiten loop ben ik even ben ik bang dat de oude bazin de aromatherapie olie op mijn huid kan ruiken. Ik ben bang voor het vriendelijke meisje, maar de bazin loopt glimlachend langs me heen. Dan besef ik me dat het meisje gelijk heeft, dat het niet uitmaakt. Ook niet voor de bazin. Wat ze niet ziet, vindt ze goed. Ruiken is nog geen weten, is geen bewijs, ze kan het wegstoppen en negeren. Zolang niemand het haar verteld heeft ze niets fout gedaan en kan niemand haar iets maken. Ik houd dus mijn mond en zeg vriendelijk gedag.
De oudere Chinese dame knikt, pakt het papiertje aan, en krabbelt wat in een boek.
Deze kant, wijst ze naar een gang met kleine kamertjes, afgeschermd door gordijntjes.
‘Wacht even,’ roep ik, wijzend naar de menukaart boven de balie.
‘Ik wil graag de aromatherapie olie. Kijk, die, voor vijf dollar extra.’
De dame schuifelt terug. Langzaam pakt ze mijn voucher op, staart ernaar.
‘Nee,’ schudt ze, ‘dit is voor een gewone massage.’
‘Ja, dat snap ik,’ antwoord ik. ‘Maar ik wil wel bijbetalen, die vijf dollar, dat is geen probleem.’
Ik wijs weer naar het bord, waar het duidelijk staat. De prijs voor een gewone massage. En de top-up, naar aromatherapie olie. Voor vijf dollar extra.
Ze schudt haar hoofd, staart nog eens naar het papiertje, en zegt gedecideerd:
‘Nee. Geen top-up mogelijk bij gratis massage.’
Ik wil in discussie gaan. Ik wil vragen of ze dan geen geld aan me wil verdienen, of ze niet snapt dat het nut van gratis massages aanbieden ligt in het zoveel mogelijk extra’s weten te slijten aan de klant, dat ze klantvriendelijk moet zijn om me aan zich te binden, zodat ik terugkom voor een betaalde sessie, en zo weet ik nog wel wat rationele argumenten.
Maar ik zie in haar ogen dat ik met rationele argumenten niet ga winnen. Deze voucher is voor een gewone massage. Exclusief extra’s.
Dit is Singapore.
Even later, in mijn eigen hokje, droogt het massagemeisje mijn voeten af na het gratis bijgeleverde voetbad.
‘U wil aroma olie, toch, mevrouw?’ vraagt ze in aarzelend Engels.
Ik knik. ‘Maar dat is niet mogelijk, begreep ik al, het maakt niet uit.’
Het meisje glimlacht, en schudt haar hoofd.
‘Kan wel. Maakt niet uit. Ik pak andere olie.’
Ze wijst naar twee flessen, naast elkaar op een plank.
Ik kijk haar aarzelend aan.
‘Mag dat wel?’ vraag ik voorzichtig.
‘Aroma olie geen probleem,’ lacht ze weer.
‘Maar. Niet vertellen aan mijn baas.’
Nu lachen we allebei, de samenzweerders. Ze masseert me, en ik geniet van de aanraking en de geur. De vijf dollar die ik haar aanbied wil ze niet accepteren.
Ook dit is Singapore.
Als ik naar buiten loop ben ik even ben ik bang dat de oude bazin de aromatherapie olie op mijn huid kan ruiken. Ik ben bang voor het vriendelijke meisje, maar de bazin loopt glimlachend langs me heen. Dan besef ik me dat het meisje gelijk heeft, dat het niet uitmaakt. Ook niet voor de bazin. Wat ze niet ziet, vindt ze goed. Ruiken is nog geen weten, is geen bewijs, ze kan het wegstoppen en negeren. Zolang niemand het haar verteld heeft ze niets fout gedaan en kan niemand haar iets maken. Ik houd dus mijn mond en zeg vriendelijk gedag.
vrijdag 22 maart 2013
In de verte
We hadden bezoek uit Nederland, winterbleek. Er was zon nodig dus we gingen naar het strand. Onderweg, in de auto, spetterden er al wat spatjes op de ruit. We tuurden naar de lucht. In de verte zweemde blauw, dus we reden door.
Om het bezoek, dat maar een dagje had, in één oogopslag heel Singapore te laten zien, gingen we met de kabelbaan. De regen spette vrolijk door maar in de verte bleef het blauw.
We parkeerden, laadden kinderen, handdoeken en emmertjes uit en verdeelden ons onder twee paraplu’s. Over Mount Faber liepen we naar de kabelbaanstation. Tijm en Linde stampten door de plassen. Jasmijn bleef als enige droog onder het zeildoek van haar buggy.
In de eitjes zaten we droog en keken onze ogen uit. We zagen de puntige skyline van Singapore’s Central Business District en de allerhoogste toren, met papa’s kantoor op de zestigste verdieping. Diep onder ons het dikke groen van Mount Faber Park, met hier en daar gestrooide zwart-witte huizen, waar mama zo graag zou wonen. In de verte telden we onmetelijke rijen flats. Nog meer flats. De havens, de overslag met zijn hijskranen, waar de containers opgestapeld zijn als de appartementen van de HDB flats.
In de verte, achter de wolken, lonkten de zee en preteiland Sentosa onder een blauwe lucht. Daarachter olietankers, raffinaderijen, mooi of niet, wel de reden dat we hier kunnen wonen, dat ons bezoek hier moest zijn.
We zeilden over een winkelcentrum, een cruise schip en een pretpark, waar we dolfijnen zagen en kinderen die in rubberen banden door glijbanen voeren en toen waren we er. In de verte was het nog steeds blauw. Maar ook op Sentosa regende het. We liepen langs de Merlion, half leeuw, half vis, langs de lange Gaudi fontein, tot we bij het strand kwamen. Tijm en Linde waren inmiddels natter dan de zee. In de verte, boven de zee, bleef het blauw.
In de strandtent COASTES, die zo lijkt op een Europese, en waar het altijd vol zit met Nederlandse, Franse en Engelse expats, was het druk. In de druppende regen zwommen kinderen in de branding, de ouders onder paraplu’s in het zand. Het terras, tenminste dat deel onder het afdak, was barstens vol. Met moeite vonden we een plekje, en Tijm en Linde en Jasmijn deden hun natte kleren uit en droge zwembroeken aan. Al snel waren ook die nat.
We dronken koffie en lime juice en keken naar de lucht. In de verte bleef het blauw. Iedereen keek met ons mee, net als ons denkend, het klaart wel op, we houden vol. Ook Tijm, Linde, Jasmijn en Roel doken in de zee. Nat waren ze toch en de zee was warm.
Af en toe klaarde het, even, op, maar steeds begon het weer. Langzaam, een voor een, haakten families af. Toen de donder klonk stroomde de zee, en niet veel later het terras, leeg. We aten nog een frietje en we gaven het op.
Met Tijm gewikkeld in een handdoek en Linde in mijn pareo namen we het treintje terug naar het station van de kabelbaan. Het miezerde een beetje. In de verte bleef het blauw.
Om het bezoek, dat maar een dagje had, in één oogopslag heel Singapore te laten zien, gingen we met de kabelbaan. De regen spette vrolijk door maar in de verte bleef het blauw.
We parkeerden, laadden kinderen, handdoeken en emmertjes uit en verdeelden ons onder twee paraplu’s. Over Mount Faber liepen we naar de kabelbaanstation. Tijm en Linde stampten door de plassen. Jasmijn bleef als enige droog onder het zeildoek van haar buggy.
In de eitjes zaten we droog en keken onze ogen uit. We zagen de puntige skyline van Singapore’s Central Business District en de allerhoogste toren, met papa’s kantoor op de zestigste verdieping. Diep onder ons het dikke groen van Mount Faber Park, met hier en daar gestrooide zwart-witte huizen, waar mama zo graag zou wonen. In de verte telden we onmetelijke rijen flats. Nog meer flats. De havens, de overslag met zijn hijskranen, waar de containers opgestapeld zijn als de appartementen van de HDB flats.
In de verte, achter de wolken, lonkten de zee en preteiland Sentosa onder een blauwe lucht. Daarachter olietankers, raffinaderijen, mooi of niet, wel de reden dat we hier kunnen wonen, dat ons bezoek hier moest zijn.
We zeilden over een winkelcentrum, een cruise schip en een pretpark, waar we dolfijnen zagen en kinderen die in rubberen banden door glijbanen voeren en toen waren we er. In de verte was het nog steeds blauw. Maar ook op Sentosa regende het. We liepen langs de Merlion, half leeuw, half vis, langs de lange Gaudi fontein, tot we bij het strand kwamen. Tijm en Linde waren inmiddels natter dan de zee. In de verte, boven de zee, bleef het blauw.
In de strandtent COASTES, die zo lijkt op een Europese, en waar het altijd vol zit met Nederlandse, Franse en Engelse expats, was het druk. In de druppende regen zwommen kinderen in de branding, de ouders onder paraplu’s in het zand. Het terras, tenminste dat deel onder het afdak, was barstens vol. Met moeite vonden we een plekje, en Tijm en Linde en Jasmijn deden hun natte kleren uit en droge zwembroeken aan. Al snel waren ook die nat.
We dronken koffie en lime juice en keken naar de lucht. In de verte bleef het blauw. Iedereen keek met ons mee, net als ons denkend, het klaart wel op, we houden vol. Ook Tijm, Linde, Jasmijn en Roel doken in de zee. Nat waren ze toch en de zee was warm.
Af en toe klaarde het, even, op, maar steeds begon het weer. Langzaam, een voor een, haakten families af. Toen de donder klonk stroomde de zee, en niet veel later het terras, leeg. We aten nog een frietje en we gaven het op.
Met Tijm gewikkeld in een handdoek en Linde in mijn pareo namen we het treintje terug naar het station van de kabelbaan. Het miezerde een beetje. In de verte bleef het blauw.
maandag 11 maart 2013
In de bus
Elke ochtend pakt ze haar rugzak, stopt haar waterfles erin en hijst hem op haar rug. Met Tijm en Linde loopt ze de trap af, zet haar tas bij de trap en gaat spelen. Steppend, fietsend, rennend, of leuterend, wachten we met alle buren en buurkinderen, elke ochtend weer, op de verschillende schoolbussen.
Als de oranje-wit-blauwe Hollandse bus om de hoek komt, pakken Tijm en Linde hun buskaart, hun koelboxen en stappen in. Ook Jasmijn. De auntie in de bus lacht, zet haar neer op een stoel. Wij lachen ook, we zwaaien. En, voor de bus gaat rijden, halen we Jasmijn er weer uit.
Ze was nog geen twee, ze mocht niet mee.
Woedend, was ze.
Als de oranje-wit-blauwe Hollandse bus om de hoek komt, pakken Tijm en Linde hun buskaart, hun koelboxen en stappen in. Ook Jasmijn. De auntie in de bus lacht, zet haar neer op een stoel. Wij lachen ook, we zwaaien. En, voor de bus gaat rijden, halen we Jasmijn er weer uit.
Ze was nog geen twee, ze mocht niet mee.
Woedend, was ze.
Dan is het zover, Jasmijn wordt twee. Jasmijn mag naar de peuterschool, twee ochtenden. Ik breng haar weg. De eerste ochtend klampt ze zich aan mijn been. Maar ik blijf en Jasmijn gaat puzzelen, af en toe omkijkend of ik er nog wel ben, tot er gegymnastiekt wordt en ze het niet langer kan laten, ze rent en klimt mee, me trots negerend. De volgende keer zwaait ze me bij het wegbrengen gedag, dag mama, en gaat spelen. Bij het ophalen loopt ze in de rij naar de bus, ik kan haar net op tijd, verongelijkt, meetrekken naar de auto. De week erop staat ze ’s ochtends weer bij de bus.
Nu was ze twee, maar ze mocht nog steeds niet mee.
Woedend, was ze.
Ik breng haar met de auto weg. Zo’n klein meisje in zo’n grote bus. Ik wil betrokken zijn, de school zien en voelen, een praatje maken met de juf, met andere moeders, wat ik zo mis bij de oudste twee. Ik ben blij met de tijd voor mezelf. Blij niet de hele dag in de auto te zitten, te brengen en halen, op al die verschillende tijden. Maar toch. Zo onafhankelijk, zo jong al? Ik weet het niet.
Jasmijn wel. Tweejarigen zijn zo verschrikkelijk intens. Intens vervelend. Intens lief. Zo klein en al zo volwassen. Praten is peutergebrabbel van halve woorden tot hele zinnen, soms helder, soms frustrerend onverstaanbaar. Al begrijpen wij het niet altijd, Jasmijn weet precies wat ze wil. Geen luier aan. Heel lang op de wc zitten zonder iets te doen. Geen jurken dragen maar shorts. Tijm’s pinguïn. Pipi Langkous kijken. Ze wijst, ze roept, ze duwt, op wat voor manier dan ook zorgt ze dat we weten wat ze bedoelt. Grote tranen springen uit haar ogen als ze niet krijgt wat ze wil. Het huis vult zich met gehuil. Tien, twintig minuten lang als het moet. Ze wil het en ze wil het nu.
Ze wil in de bus. Dus strijk ik mijn hand over mijn hart en ze mag. Zelden heb ik een peuter zo trots, zo blij, een bus zien bestijgen. Ze zwaait uit het raampje, naast grote broer en zus. Papa en ik zwaaien terug, de bus na, waarin onze kinderen wegrijden. Vijf, drie en net twee jaar oud.
Nu was ze twee, maar ze mocht nog steeds niet mee.
Woedend, was ze.
Ik breng haar met de auto weg. Zo’n klein meisje in zo’n grote bus. Ik wil betrokken zijn, de school zien en voelen, een praatje maken met de juf, met andere moeders, wat ik zo mis bij de oudste twee. Ik ben blij met de tijd voor mezelf. Blij niet de hele dag in de auto te zitten, te brengen en halen, op al die verschillende tijden. Maar toch. Zo onafhankelijk, zo jong al? Ik weet het niet.
Jasmijn wel. Tweejarigen zijn zo verschrikkelijk intens. Intens vervelend. Intens lief. Zo klein en al zo volwassen. Praten is peutergebrabbel van halve woorden tot hele zinnen, soms helder, soms frustrerend onverstaanbaar. Al begrijpen wij het niet altijd, Jasmijn weet precies wat ze wil. Geen luier aan. Heel lang op de wc zitten zonder iets te doen. Geen jurken dragen maar shorts. Tijm’s pinguïn. Pipi Langkous kijken. Ze wijst, ze roept, ze duwt, op wat voor manier dan ook zorgt ze dat we weten wat ze bedoelt. Grote tranen springen uit haar ogen als ze niet krijgt wat ze wil. Het huis vult zich met gehuil. Tien, twintig minuten lang als het moet. Ze wil het en ze wil het nu.
Ze wil in de bus. Dus strijk ik mijn hand over mijn hart en ze mag. Zelden heb ik een peuter zo trots, zo blij, een bus zien bestijgen. Ze zwaait uit het raampje, naast grote broer en zus. Papa en ik zwaaien terug, de bus na, waarin onze kinderen wegrijden. Vijf, drie en net twee jaar oud.
maandag 4 maart 2013
Spelen of spellen?
Op mijn beeldscherm prijkt een verhaal. Ik ga zitten en ik lees.
De reesautoos gingu vat dringkun. Omdat zu ha dorst.
Teon gingu naar de rees baan. 54321 start de rode ging.
teon haalden en andere 00too roode ootoo in
Teon was het aguloopun.
Een jaar geleden klaagden we over het Engelse onderwijs. Over kinderen van vier en net vijf die in schoolbanken worden gedwongen te zitten en te leren. Te leren lezen, schrijven, en rekenen. Dat vonden we maar niets, want kleuters moesten spelen. Spelenderwijs leren.
We verhuisden naar de andere kant van de wereld en kozen voor een Hollandse School. Terwijl Tijm’s Engelse vriendjes in hun reception klas woorden leerden, en op de kerstkaarten al stoere verhalen schreven, speelde Tijm in de bouwhoek en de huishoek van groep twee. Hij leerde letters die hij al kende, en vreemde, nieuwe combinaties. De a die in het Engels e heet en op school ah, en die er anders uitziet als je hem schrijft dan als je hem typt. De oe die net zo klinkt als de Engelse oo. De tuh die mama tee noemt en de Engelse juf thie. De eh die soms als een éh klinkt, soms als een uh en soms als een èh. Die als hij groot is een hark is en klein een ronde kronkel.
De reesautoos gingu vat dringkun. Omdat zu ha dorst.
Teon gingu naar de rees baan. 54321 start de rode ging.
teon haalden en andere 00too roode ootoo in
Teon was het aguloopun.
Een jaar geleden klaagden we over het Engelse onderwijs. Over kinderen van vier en net vijf die in schoolbanken worden gedwongen te zitten en te leren. Te leren lezen, schrijven, en rekenen. Dat vonden we maar niets, want kleuters moesten spelen. Spelenderwijs leren.
We verhuisden naar de andere kant van de wereld en kozen voor een Hollandse School. Terwijl Tijm’s Engelse vriendjes in hun reception klas woorden leerden, en op de kerstkaarten al stoere verhalen schreven, speelde Tijm in de bouwhoek en de huishoek van groep twee. Hij leerde letters die hij al kende, en vreemde, nieuwe combinaties. De a die in het Engels e heet en op school ah, en die er anders uitziet als je hem schrijft dan als je hem typt. De oe die net zo klinkt als de Engelse oo. De tuh die mama tee noemt en de Engelse juf thie. De eh die soms als een éh klinkt, soms als een uh en soms als een èh. Die als hij groot is een hark is en klein een ronde kronkel.
Thuis lezen we over Pim, en Nies, en Hop on Pop en Tijm kan het wel, maar heeft er het geduld niet voor. Mama leest het sneller voor. Schrijven, dat wil Tijm. Boeken maken, net als mama. Hij heeft het zichzelf geleerd. Met stiften, pennen en potloden krabbelt hij pagina’s vol. Namen, dieren, dingen. Overgeschreven of uit zijn hoofd. Ook het beeldscherm typt hij keer op keer vol, wat mama dan moet uitprinten zodat hij de plaatjes erbij kan kleuren en alles aan elkaar kan nieten tot een echt boek. Kom mama, roept hij weer, print mijn boek uit.
Mama, die voor het beeldscherm de deleteknop al wil indrukken en de woorden wil verbeteren. Maar die zich inhoudt, want Tijm’s fonetische Nederlands is zo mooi en schattig. Mama, die zich afvraagt waarom het toch zo moeilijk moet, waarom, zelfs binnen één taal, een letter op twee manieren geschreven en soms wel drie manieren uitgesproken dient te worden. Hoe leg je de onlogica van taal uit aan een vijfjarige?
Zin voor zin, onder zijn verhaal, typ ik de juiste spelling. Met Tijm op schoot leg ik uit, kijk, auto schrijf je zo, met een a en een u aan het begin, maar wel een o, eentje maar, aan het eind. Je zegt ootoo, maar schrijft auto.
Boos kijkt hij me aan. Nee mama, dat van jou moet weg, dat vind ik niet mooi. Ik wil het schrijven zoal ik het wil, zoals ik het zeg. Niet zoals jij het doet. Haal weg.
Ik delete mijn nette, correcte zinnen en laat zijn speelse staan. We printen, Tijm tekent, en het wordt een prachtig boek. Spellen? Dat mag de juf hem leren, volgend jaar, in groep drie. Nu is schrijven nog spelen.
Mama, die voor het beeldscherm de deleteknop al wil indrukken en de woorden wil verbeteren. Maar die zich inhoudt, want Tijm’s fonetische Nederlands is zo mooi en schattig. Mama, die zich afvraagt waarom het toch zo moeilijk moet, waarom, zelfs binnen één taal, een letter op twee manieren geschreven en soms wel drie manieren uitgesproken dient te worden. Hoe leg je de onlogica van taal uit aan een vijfjarige?
Zin voor zin, onder zijn verhaal, typ ik de juiste spelling. Met Tijm op schoot leg ik uit, kijk, auto schrijf je zo, met een a en een u aan het begin, maar wel een o, eentje maar, aan het eind. Je zegt ootoo, maar schrijft auto.
Boos kijkt hij me aan. Nee mama, dat van jou moet weg, dat vind ik niet mooi. Ik wil het schrijven zoal ik het wil, zoals ik het zeg. Niet zoals jij het doet. Haal weg.
Ik delete mijn nette, correcte zinnen en laat zijn speelse staan. We printen, Tijm tekent, en het wordt een prachtig boek. Spellen? Dat mag de juf hem leren, volgend jaar, in groep drie. Nu is schrijven nog spelen.
Abonneren op:
Berichten (Atom)