donderdag 2 september 2010

Op de Otter

De boot is rood, van metaal. De kuip is van hout. Achterop, op het grote roer, zit een houten otter. Op een bordje de naam van de boot. Den Otter. Naast de otter prijkt fier de Hollandse driekleur aan een boomtak. Aan de glanzend gelakte houten helmstok staat een klein blond mannetje. Hij draagt een gele zuidwester en een oranje zwemvest met fluorescerend gele sterretjes. Het is de kapitein van de Otter. Kapitein Tijm. Fier stuurt hij de Otter over de baren van het Heerenzijl. Over zijn hoofd tuurt papa in de verte. Langszij, bij mama, zit matroos Linde. Ook zij draagt een gele zuidwester. En een zwemvest. Oranje, zonder sterren.

‘Die kant op,’ stuurt papa bij. Het meer op. Kapitein Tijm schudt zijn hoofd. Hij trekt aan het roer. Resoluut stuurt hij naar de andere kant. ‘Naar de blauwe brug,’ wijst hij.
Papa en mama kijken elkaar aan. Mama schudt haar hoofd. Papa haalt zijn schouders op. ‘De kapitein is de baas.’
Ze varen naar de brug.

Er steekt een briesje op. Het eerst zo vlakke meer roert zich. Kleine kopjes verschijnen op de oppervlakte. Af en toe buizen golfjes water over de rand van de boot. De kapitein schrikt. ‘Nat, ik word nat,’ roept hij uit. ‘Gauw naar binnen.’
Hij rent de boot door, naar voren, naar de tent.
‘Linde, kom, ook in de tent,’ roept hij.
Linde worstelt van mama’s schoot en wankelt naar voren. Op echte zeebenen, net zo wankel als op land. Ze bereikt de voorplecht met de tent. Ze krabbelt en wurmt, de kussens op, de tent in.

Papa stuurt de boot onder de brug door. De boot is klein, de brug hoeft niet open. Tijm en Linde liggen op hun buik op de kussens in de tent en kijken door het plastic ruitje naar buiten. ‘De brug!’ juicht Tijm, en kruipt uit de tent.
Ook Linde worstelt zich weer naar buiten. Ze wijst. ‘Kijk, kijk.’
Tijm pakt haar hand. ‘De blauwe brug, joepie.’
Door de brug, op de poelen, is het water kalmer. De kapitein pakt stoer het roer terug. Ze varen langs het eiland. De huizen. Langs het kanaal. Ze zien heel veel boten. En heel veel eenden. En futen, en meerkoeten. Tijm schudt zijn hoofd. ‘Nee mama, eenden.’

Dan de laatste brug. De kleine brug. De heel erg lage brug. Zo laag, dat de tent omlaag moet. De vlag moet eraf. En iedereen bukt. Zelfs Linde bukt heel laag. De brug is zo laag en zo lang, het is net een tunnel. Dan zijn ze er doorheen en bijna thuis. Tijm ziet het huisje als eerste. Hij springt op en neer, klimt al op de rand van de boot.
‘We zijn er weer,’ zegt mama. ‘We zijn weer thuis.’
Maar Tijm weet beter. ‘Nee mama, niet Tijm’s huis.’
‘Het is botenhuis, opa-, oma huis, Frieslandhuis. Niet Tijm zijn huis.’
‘Helemaal waar Tijm,’ zegt papa, en loodst de Otter de haven in. Nou ja, de steiger. Maar dat weet Tijm niet.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen