vrijdag 21 januari 2011

De ideale kraamhulp

Nederlandse vriendinnen kijken me vaak medelijdend aan: ‘Wat, bestaat er geen kraamhulp in Engeland?’
Nee. En als ik vervolgens vertel dat ik daar wel blij om ben dan schudden ze ongelovig hun hoofd. Wie wil er nou geen gratis hulp in huis voor een week?
Wij dus. Zo’n vreemde in huis die zich met alles gaat bemoeien? Met hoe je je kind voedt, kleedt, wast en laat slapen? Die zich meester maakt van jouw spullen, jouw keuken, jouw huis? Ik ril ervan.

Ik weet nog goed hoe we ons voelden, die eerste keer. Toen de midwifes ons thuis achterlieten met Tijm, twee uur oud. We keken elkaar aan en dachten, daar is hij dan. Onze zoon. Wat moeten we ermee? Alle zorgvuldig vergaarde boekenwijsheid was op slag verdwenen uit mijn hoofd. Baby’s. Wisten wij veel. Wij modderden wat aan die eerste dagen. Met z’n drietjes. Want veel bezoek was er nog niet. De familie was zo snel het kanaal niet over. En de Engelse vrienden wilden zich beleefd niet opdringen de eerste week. Af en toe kwam er een midwife langs voor controle en goede raad. Verder vogelden we samen alles uit. Hoe het allemaal moest met zo’n wurmpje. Drinken aan de borst. Dat bleek best moeilijk. Of hoe je een luier moet verschonen. Dat leerden we snel genoeg. Hoe en wanneer in bad. Hoe in slaap te knuffelen. Hoe een autostoeltje in hemelsnaam werkt. Na een week kregen we het aardig in de vingers. Door trial and error. Zelf ervaren en geleerd. Zodat we iedereen die commentaar had konden vertellen dat dit was hoe we het deden. Dat dit voor ons werkte. Het was een heerlijk rustige, knusse, intieme tijd, die eerste kraamweek met zijn drieën. Ik denk er graag aan terug.

Deze kraamweek is heel anders. Met twee peuters is de rust ver te zoeken. De familie weet de boot sneller te vinden. Ook de vrienden komen, drie jaar verder, eerder langs. In huis heerst een vrolijke chaos. Maar ik geniet er van. Als ervaren ouders weten we hoe het werkt, baby’s. En Jasmijn ontpopt zich als modelbaby. Ze slaapt, drinkt, poept, plast, en dat alles veel. Huilen doet ze weinig. Ook het huishouden loopt op rolletjes. Want ik heb de beste kraamhulp die een moeder zich kan wensen. Engeland heeft namelijk iets anders dat Nederland niet heeft: vaderschapsverlof. Twee weken lang. Betaald. Roel kookt, wast, zorgt. En hij wast weer, alle bergen die twee peuters, een kraamvrouw en een baby produceren. Kleren, lakens, luiers, doekjes. Hij wast, hangt op en vouwt. Hij doet het geweldig. Ik rust en ik rust en ik rust.

Soms ben ik bang dat het wat te veel voor hem is. Maar nee. Roel is het met me eens, die kraamhulp, die hebben we niet nodig. Wij redden ons wel. Met z’n vijven. Dan twijfelt Roel even. Vooruit, een uurtje per dag mag ze komen. Voor de was. Alleen de was. Dat lijkt hem wel wat.

woensdag 12 januari 2011

Winterjasmijn


Tijm is op de peuterschool. Linde slaapt. Ik lig op de bank en ik wee. Steeds weer dwalen mijn ogen naar de klok. Ik tel de minuten tot de volgende kramp. Tien minuten. Elke keer weer, al de hele dag. Zo schiet het niet op. Zo komen we er niet. Ik zucht. Ik kijk naar buiten naar de grijze grauwe tuin. Het is droog. In de takken hangen zware regendruppels. Mijn ogen dwalen over de natte dorre planten. Opeens zie ik een sprankje kleur, een kleine gele ster. In de zomer plantte ik de struik. Maar hij heeft het zwaar in zijn dorre droge hoekje onder de schutting. Weggeknaagd door de konijnen. Slechts één spriet bleef over, met erin wat verdorde knoppen. Ik had de plant al opgegeven. Maar nu, op deze regenachtige vrijdag in januari bloeit er een eenzaam klein bloemetje in de winterjasmijn. Ik wrijf over mijn buik. Dit is een teken. Ik voel het. Het wordt een meisje en ze komt eraan.

Maar de weeën blijven rommelen. Eerst langzamer, dan weer sneller, soms pijnlijk, dan weer niet, en zo gaat het maar door, het weekend lang. Pas op dinsdagochtend word ik wakker en denk: pijn. Echte pijn. Maar niet genoeg. Te langzaam, elke tien minuten, steeds maar weer. Roel vertrekt naar zijn werk, ik naar de orde van de dag. Speelafspraken, de was, Tijm naar school. Linde in bed voor haar middagslaapje. En dan opeens, wordt langzaam snel. Mijn brein en lijf houden het nauwelijks bij. Opruimen. Roel bellen. Bad klaarzetten. Ziekenhuis bellen. In gesprek. Opnieuw, opnieuw. Roel brengt Linde weg. Hij is terug en ik laat hem niet meer los. Een stroomversnelling van hormonen en pijn heeft me in zijn grip. De deurbel gaat. Ik voel een plop. Een guts. De midwife komt binnen terwijl ik vertwijfeld staar naar de plas bij mijn voeten.
‘De baby komt,’ schreeuw ik. ‘Nu!’
De wee ebt weg en ik kalmeer wat. ‘Wil je me nog onderzoeken, kijken?’
Ze kijkt in mijn ogen en mijn lichaam op en neer.
‘Nee,’ zegt ze kalm. ‘Ga maar. Doe maar wat je moet doen.’
Een nieuwe wee welt op. ‘Ik haal het bad niet,’ kreun ik.
‘Jawel,’ zegt ze en zij en Roel helpen me de birthpool in.
Mijn lichaam perst. ‘Niet te snel,’ denk ik nog, ‘dan scheur ik.’
Maar mijn lichaam luistert niet. Ze is er al uit.

Ik lig weer op de bank. Buiten wordt het al donker maar ik hoef de bloem niet meer te zien. Nu ligt ze op mijn buik. Mijn dochter. Onze tweede dochter. Jasmijn.

Langzaam komt weer terug. We drinken een kopje thee met de midwifes. Ze hebben geen haast, ze zijn er net. Jasmijn wordt gewogen, gemeten, gekeurd. Goedgekeurd. Ze drinkt. Ze drinkt gulzig. Rustig ruimt Roel het huis op. Hevelt het bad leeg. We bellen de grootouders, ooms en tantes. Dan is tijd Tijm van school te halen. Ik lig op de bank en ik wacht. Dan hoor ik de deur. Kleine stemmetjes in de gang.
‘Mama, mama. Baby. Bad!’
Ik glimlach. We zijn compleet.

maandag 3 januari 2011

Wandelen

‘Een stevige wandeling,’ beval de verloskundige aan, ‘dat wil de boel nog wel eens in gang zetten.’ Ik moet nog ruim een week tot mijn uitgerekende datum. Oefenweeën heb ik genoeg gehad. Tijd voor actie. Alleen, het grauwe januariweer nodigt niet uit tot wandelen. En ik ben moe. Maar binnen worden de kinderen baldadig. Ze moeten worden uitgelaten. Dus we gaan. Laarzen en jassen aan, mutsen op, op naar de Village Green. Een erg stevige wandeling wordt het niet. Zo groot is de Green niet. En zo hard lopen Tijm en Linde niet. Maar de frisse lucht is fijn. De kou leidt af.
Tijm en Roel schoppen de voetbal over. Linde rent rondjes over het blubberige gras. Ze valt voorover, met haar neus in de modder. Ik zet haar overeind. Ze kijkt beduusd naar haar vieze handen, dan naar mij. ‘Bah.’
Ik veeg de modderhanden af aan mijn broek. We lopen over het paadje naar beneden, langs de vijver, de eendjes, de brug. Terug omhoog naar het veld.
‘De berg op,’ wijst Tijm.
Tijm en Linde rennen naar boven. Ik duw de lege buggy erachteraan. Tijm en Linde rennen de heuvel weer af.
‘Ready, steady... go!’ roepen ze.
Nog een keer, en nog een keer. Ik kijk ernaar. Roel loopt naar me toe en slaat zijn armen om me heen. ‘Kijk nou naar ze.’
Linde, kleine hobbelende kabouter met een roodwit gestipte muts. Tijm, stoere jongen in zijn laarzen. Ze rennen op, ze rennen neer.
‘Ik ben zo gelukkig,’ fluistert Roel in mijn oor. Ik knik. Ik ook. Alleen zijn mijn tenen zo koud. Mijn buik zo zwaar.

‘Kom,’ roep ik, ‘we gaan door het bos.’
Tijm twijfelt. ‘Is daar geen wolf dan?’ vraagt hij bezorgd.
‘Nee joh,’ antwoord ik. ‘Die woont in het grote bos. Dit is het kleine bos.’
Klein bos is nog een te groot woord voor het groepje bomen waar we doorheen lopen.
Daar komt Roel aan. ‘Daar is papa,’ wijs ik. ‘Als de wolf komt dan weet hij daar wel raad mee.’
‘Ja,’ zegt Tijm opgelucht, ‘dan komt hij met zijn bijl en jaagt de wolf weg.’
‘Precies,’ zeg ik en loop het bosje in.
Geen wolf, wel een speelse Deense dog belaagt ons. Tijm verschuilt zich achter mijn benen. ‘Hij eet de bal op!’ paniekt Tijm.
‘Nee, hij wil gewoon spelen.’
Maar voor de zekerheid stop ik de bal in de buggy. We lopen het donkere bosje uit en rond.

Terug op het veld zijn mijn tenen ijsklompjes geworden. Roel en Tijm voetballen nog wat. Linde doet mee. Linde houdt van ballen. Ze laat de bal niet los. Ze knuffelt de modderige bal tegen haar blauwwit gestippelde jas. Als Tijm wil voetballen barst ze in gebrul uit, klemt de bal vaster tegen zich aan. Tijm jengelt terug. Hij is moe. Mijn tenen voel ik niet meer. Het is tijd. Tijd om te gaan. Stevig genoeg gewandeld, denk ik.

Als we de modder van de laarzen, de kinderwagen en uit de gang hebben geveegd strijken we neer op de bank, met warme chocolademelk.
‘En?’ vraagt Roel hoopvol, kijkend naar mijn buik. Ik schud mijn hoofd. Ik oefen nog even door.

woensdag 22 december 2010

Wachten

Ik heb de laatste dagen een liedje in mijn hoofd. Een liedje van Bert en Ernie. De vriendjes wachten op Sinterklaas, en om de tijd te doden zingen ze.
Eerst Bert met zijn lage bromstem: ‘Wachten duurt laaaaaang, laaaaaaaang, laaaaaaaaang, wat duurt dat wachten lang.’
Ernie is het er niet mee eens. Het líjkt maar lang te duren. Hij zingt: ‘Wachten duurt kort, kort, kort, wat duurt dat wachten kort.’ De ‘kort’ zingt hij zo kort en ingeslikt dat de ‘r’ nauwelijks te horen is. Mijn broertje lag vroeger met zijn vriendje rollend van het lachen op de grond het liedje na te zingen: ‘Wachten duurt kut, kut, kut, wat duurt dat wachten kut.’

Het is mijn broertjes versie die ik de laatste dagen in mijn hoofd heb. Het wachten valt me zwaar. Wist ik het grootste deel van mijn zwangerschap hooguit afgerond in maanden hoe zwanger ik was, nu tel ik de dagen. Uren. Minuten. Zesendertig weken en vijf dagen. Overmorgen is de mijlpaal bereikt. Met zevenendertig weken mag ik thuis bevallen. Het voelt als toestemming, baby, je bent klaar, je mag komen. Kerstavond is het dan. Een kerstkindje. Dat het vanaf dan zomaar nog vijf weken kan duren, daar denk ik niet aan. Eén stapje tegelijk. Mijn lichaam is op. Klaar. Al maanden kan ik mijn verkoudheid niet afschudden. Na een kleine boodschap moet ik uren uitrusten. Elke keer dat ik opsta, iets of iemand til, de trap op loop, spant mijn buik zich samen in een pijnlijke wee. Misschien was het te snel. Te veel. Drie kinderen in drie jaar. Toch zo gezellig. Ik verheug me op het kind. Maar het wachten valt me kut.

Ook Tijm en Linde zijn er klaar voor. Als een ui pellen ze de lagen van mijn buik. Trui, shirt, hemd, broekband, tot de blote dikke buik. Allebei aan een kant geven ze kusjes. Linde blaast bellen en schaterlacht. Tijm geeft kopjes, wrijft als een poes. ‘Lieve baby, hier is je grote broer.’
Ook ik wrijf de dikke buik. Ledematen en harde stukken butsen naar buiten.
‘Ja, dat is jullie broertje of zusje.’
‘Dat weten we niet, hè mama?’ zegt Tijm.
‘Nee, dat weten we pas als ie eruit komt.’
Tijm maakt het niet uit. Soms wil hij een broertje, soms een zusje. Hij heeft al een zusje en dat vindt hij leuk. Maar een broertje heeft hij nog niet.
Dan worden de kussen grover, lomper, de kopjes geduw. Ze buitelen over mijn buik. Mijn baarmoeder spant zich samen. Een voetbal verhardt zich van binnen. Pijnscheuten trekken door mijn rug. Ik verlies mijn geduld.
‘Eraf, eraf, je doet me pijn.’

Na wat duw en trekwerk druipen ze af. Het is niet makkelijk, leven met een hormonale, vermoeide moeder. Die het even allemaal niet meer trekt. Soms zijn ze lief, zo lief, en zwijmel ik weg bij de gedachte dat ik er nog een krijg. Ze spelen samen. Klimmen in de kinderwagenbak. Verkleden zich als kerstman en trekken sneeuwpakken en mutsen aan. Dan weer voelen ze feilloos aan hoe op ik ben en jengelen ze, krijsen ze, huilen ze en willen niets. Althans niets wat ik wil. Maar net als ik de rollen behang en lijm heb besteld komen ze aanlopen, de liefste glimlach, een glinster in de ogen. Vier armpjes om mijn nek. ‘Mama, ik hou van jou,’ fluistert Tijm in mijn oor. De slijmballen. Maar ik trap erin, met open ogen. Ik wil er nog een. Hij of zij mag komen. Ik ben er klaar voor.

zondag 12 december 2010

Tijm’s blonde vriendinnen

Allereerst is er Jenna, met blonde krullen en guitige wipneus. Tijm kent haar al sinds ze, een paar weken oud, samen op het speelkleed lagen. Met vijf maanden leerde Tijm kruipen en gaf hij haar zijn eerste kusje. Vanaf toen was het aan. Samen spelen gaat met veel gebakkelei, want ze laten zich allebei niet door de ander op de kop zitten. Op een feestje speelt Tijm wat verloren tussen vooral vreemde kindertjes. Totdat zijn vriendin, kordaat op haar stevige korte beentjes, binnenstapt. Ze zien elkaar meteen, staan stil. Dan wijzen ze. Lopen op elkaar af. Een meter uit elkaar blijven ze staan. Even kijken ze elkaar aan, het hoofdje scheef. Dan gaan de armen om elkaar heen en rennen ze gebroederlijk weg. Niet veel later is het weer mot. Tijm wil in het springkussen. Jenna niet. Jenna rent weg. Tijm erachter aan. ‘Jenna, Jenna, come.’
Jenna kijkt om, grijnst, zet de versnelling erin. Een paar minuten houden ze het vol. Jenna sprint, Tijm achtervolgt. Dan geeft Tijm het op. Hij gaat alleen springen. Jenna kijkt vertwijfeld, haar rug tegen de muur. ‘Tijm,’ roept ze zachtjes. Dan iets harder. Ze loopt naar het springkussen. ‘Tijm,’ roept ze. ‘Jenna,’ roept Tijm. Het is weer goed. Samen gaan ze springen.

Dan is er Tamsin met de steile blonde pony. Ook dat was liefde op het eerste gezicht. Elke week gaan ze samen naar de gym. Hebben ze elkaar gevonden dan bestaan andere kinderen niet meer. Een keer komen we laat en hijgend binnen. We zijn een paar weken niet geweest, we waren op vakantie. Nu zitten alle kindertjes al klaar in de kring, teacher Hannah voert het woord, ze hangen aan haar lippen. Dan ziet Tamsin Tijm bij de deur. Ze springt op, juicht ‘Tijm,’ en rent op hem af. Een omhelzing volgt. ‘Ah,’ zegt teacher Hannah, ‘Tamsin’s boyfriend is back.’

De kleine Sophie moet het afleggen, ondanks haar lange blonde krullen en poppenogen. Is ze te lief voor Tijm? Niet bijdehand genoeg? Gelukkig vindt Sophie een speelmaatje in Linde.

Minouk, met blond piekhaar, noemt hij liefkozend ‘Pinoek.’ Ze moeten altijd weer wennen, ze zien elkaar niet zo vaak. Even spelen ze apart, Minoek stuurs haar duim in de mond. Dan barst het los. Minouk leert Tijm wilde spelletjes. Klimmen, schreeuwen, van de trap af stuiteren. Vechten om beer. Tijm geniet en praat er dagen over na.

Op een dag hebben we het over trouwen. Tijm weet het precies. Papa is met mama getrouwd. Opa met oma. ‘En Tijm?’ vraag ik. ‘Met wie wil jij trouwen?’
Nieuwsgierig wacht ik op het antwoord. Wie van de dames wordt de gelukkige? Tijm denkt even na. ‘Met Flor,’ zegt hij dan stellig.
Nederlandse stepvriend Flor. Ik schiet in de lach. Maar we zijn moderne ouders. Dus ik knik: ‘Dat kan. Maar misschien wil je daar nog even over denken als je groot bent.’

dinsdag 7 december 2010

Sinterklaas surprise


Normaal plaats ik geen plaatjes op deze blog, maar voor deze maak ik graag een uitzondering. Ik deed mee aan de Sinterklaas actie van medeblogster Cisca. En wat vond ik vanmiddag op de mat, een pakje, uit Nederland!
Tijm riep meteen: 'Wauw'
Het rood met wit gestipte pak was zo al mooi.
'Voor Tijm?' vroeg hij.
'Nee, deze is voor mama.'
Maar binnenin zaten zowaar ook pakjes voor Tijm en Linde. Ze kregen prachtige Pietenmutsen. Dat Sinterklaas ondertussen alweer naar Spanje was vertrokken vonden ze niet erg, meteen moesten de mutsen op en niet meer af. Zodat mama vanmiddag op de peuterschool moest uitleggen waar het vreemde hoofddeksel van Tijm vandaan kwam.

En wat kreeg mama? Deze prachtige prent. De trouwe lezers zullen vast van alles herkennen. Sanneke, heel erg bedankt, hij krijgt een mooi plekje!

maandag 6 december 2010

Hij kwam, hij kwam...

Weken hadden we geoefend. Met pepernoten eten. Met schoen zetten. Met zingen. En springen. Met blij zijn. Eindelijk was het zover. Want de stoomboot van Sint is vlug. Op vijf december komt hij niet alleen naar Nederland, ook Engeland wordt bezocht. Zo kwam het dat in een stadje in Hertfordshire een heleboel Nederlandse kindertjes met kloppend hart zaten te wachten op de goedheiligman. Ze zongen en ze sprongen en ze waren zo blij. Natuurlijk waren er geen stoute kindertjes bij. Vooral de moeders zongen. Sommige kindertjes. De meeste vaders keken geamuseerd toe. Ze wiegelden met hun voeten op de maat. Ze kenden geen Nederlands. De papa van Tijm en Linde gelukkig wel. In zijn mooie door oma genaaide Pietenpak zong Tijm naast papa mee. Hoorden we daar iets bij de deur? Hoorden we voetstappen op het dak? Was die zwarte schim een Piet? Nog harder zongen we. Over de stoomboot, Sint Nicolaas en zijn knecht. Hij komt!

Al snel zijn Tijm en Linde aan de beurt om bij Sinterklaas te komen. Een beetje verlegen blikt het zwart-geel gestreepte Pietje de Sint aan. Zijn vingers in zijn mond. Gelukkig komen papa en Linde er ook bij. Tijm kruipt in het holletje van papa’s arm. Want Tijm weet, dat hij soms wel eens een beetje stout geweest is. Hij heeft Linde gepest. Haar in haar wang gebeten. Mama had gezegd, dat hij als hij het weer deed, hij geen kadootje zou krijgen van Sinterklaas. Maar hij deed het toch. Weer. En Tijm wil heel graag een kadootje. Hij houdt heel erg van kadootjes. Sinterklaas slaat zijn grote boek open. Hmmmm, doet hij en wrijft door zijn lange witte baard. Tijm siddert. Sinterklaas kijkt hem vriendelijk toe over zijn bril. ‘Ik lees hier dat jij zo van treinen houdt, klopt dat?’
Ja, denkt Tijm blij. Treinen, daar houdt hij van. En, vervolgt Sinterklaas, dat hij naar school gaat nu hij een grote jongen van drie is. Vindt hij het leuk op school? Tijm knikt verlegen. Maar dan kijkt Sinterklaas serieus. Hij zegt dat Tijm niet zijn zusje mag plagen. Bedremmeld kijkt Tijm naar zijn schoenen. Nee, dat mag niet. Zou Sinterklaas boos zijn? De Pieten kijken streng. Tijm weet niet, dat ze geen Nederlands verstaan. Zouden ze hem meenemen in de zak? Nee, gelukkig, Sinterklaas slaat het grote boek dicht en kijkt weer lief. Opgelucht haalt Tijm adem. Sinterklaas kijkt Linde aan. Maar Linde kijkt vanaf papa’s schouder achteruit, de kamer in. Ze is een beetje bang. Onder haar groen-zwart gestreepte Pietenmuts kijkt ze weg, weg van Sinterklaas. Sinterklaas glimlacht papa toe. Dan is het al afgelopen. Zwarte Piet geeft Tijm en Linde een handje pepernoten en muizen.

Blij huppelt Tijm naar mama. ‘Kijk, van Sinterklaas!’ Hij kruipt naast mama op de grond en peutert zijn muis open. Linde eet nog een mandarijn. Als alle kinderen bij Sinterklaas geweest zijn deelt Piet de pakjes uit. Ja, voor Tijm is er ook één bij! Rails voor de trein. En een helikopter. Linde krijgt een mooie bezem. Kan ze mooi mama helpen thuis.