‘Uniek event!’, was het onderwerp van de brief van de school. Want de koningin kwam naar Singapore. En de kroonprins en de prinses. Leuk, dacht ik, de koningin komt naar de school. Maar ik juichte te snel. De koningin komt de handelsbetrekkingen tussen Singapore en Nederland versterken en daar hoort een bezoek aan een lagere school, ook al is dat de allerlaatste volledig Nederlandse lagere school buiten Nederland, vol met de zakenmannetjes en vrouwtjes van de toekomst, blijkbaar niet bij. Ook de kroonprinses kon zich niet even losrukken van de zijde van haar schoonmoeder. De kleine prinsesjes waren thuisgebleven, ik neem aan, omdat ze zelf wél naar school moesten.
Gelukkig had de school een oplossing. Komt de koningin niet naar de school, dan de school naar de koningin. De hele school, ruim vierhonderd kinderen, zou in bussen naar een lokatie aan de andere kant van de stad vervoerd worden. Daar zouden Hare Majesteit, de kroonprins en prinses langs de kinderhaag lopen, die haar, in oranje-rood-wit-blauw schoolshirt gestoken, trakteerde op het schoollied en heel veel tekeningen. Voor dit spektakel had het koninklijke management tien minuten uitgetrokken.
De hele school? Nee. De peuterschool, en dus Linde die zo van prinsessen houdt, mocht niet mee. In dezelfde brief werd het ouders in verband met strenge koninklijke protocollen ten strengste verboden zich die dag in de buurt van deze locatie te bevinden. Linde zelf even langsbrengen was dus geen mogelijkheid.
Dat was de eerste brief. In de tweede brief, een week later, waren de protocollen verder aangescherpt. Niet alleen de peuterschool maar ook groep 1, die aan volwassen begeleiding meer zou vergen dan toegestaan, mocht niet meer mee. En de tien minuten ‘face-time’ waren teruggebracht tot drie.
Door protocollen, hoe streng ook, liet de school zich niet uit het veld slaan. Dapper werd het schoollied geoefend, werd er getekend, en werden thema’s rond de koninklijke familie, Nederland en klompen behandeld. Het werd een ware Koninginneweek. Moeders kwamen helpen, en we spijkerpoepten, zakloopten, blikgooiden, kleurden molens en koeien. SBS en NOS kwamen langs en filmden de school, de kinderen en de voorbereidingen, dagenlang. De spanning steeg.
Op vrijdagmiddag was het dan eindelijk zo ver. Toen Tijm die middag laat uit de schoolbus stapte vroeg ik meteen benieuwd: ‘En, hoe was het?’
Tijm haalde zijn schouders op.
‘Ze liep langs,’ mompelde hij. ‘Verder niets.’
Net als op mijn dagelijkse vraag hoe zijn schooldag was geweest, kreeg ik er weinig meer uit. Ze hadden in een rij gestaan, in een metrostation. Ze hadden gezongen. Verder niets.
Toch zaten wij de volgende dag vol spanning met de kinderen op schoot achter uitzendinggemist.nl. Na twintig minuten over minioliestaatje Brunei kwam eindelijk, veel te kort, Singapore in beeld. Zelfs eventjes de school. Dagen van filmen geperst in een minuut. Stralend en juichend wezen Tijm en Linde naar hún schoolbussen op de televisie, naar het bekende witte gebouw met de rode pannen tussen tropisch groen, het zingen op de tribune en de schoolgenootjes die enthousiast vertelden over het koninklijk bezoek. Daarna zagen we Hare Majesteit lopen door de zingende oranje-rood-wit-blauwe kinderhaag. Ze zwaaide. Ze lachte. Ze sprak met een paar kinderen. Het zag er gezellig uit. Die drie minuten.
dinsdag 29 januari 2013
dinsdag 22 januari 2013
Een wapper twee
Ze is twee. Opeens. Op de foto die ik op Facebook zet reageert een vriendin: gefeliciteerd Linde! Ze is niet de eerste die de fout maakt. Op de foto gluurt uit de nieuwe roodgele circustent een echt meisje, de ooit bruine haren geblondeerd door de tropenzon. Jasmijn is een dame geworden.
Nou ja, dame. Grote zus is zacht en roze, poppen en barbies en prinsessen en ballet. Jasmijn weet wat ze wil, en dat is het niet. Jasmijn is klimmen op alles wat in haar pad komt. Jasmijn is vreemde honden aaien, snoeiend hard steppen en de gruffalo lezen. Zitvlees heeft ze niet, had ze nooit, als baby al niet; niet voor niets heette ze al snel de wapper. Ze heeft net zulke prachtige blauwe ogen als grote zus. Maar het engelachtige gezichtje verhult een monstertje. Het wappermonster.
Het is ook niet niets, de jongste zijn. Opboksen tegen die twee, die altijd ouder zijn en sterker en meer kunnen. Dan moet je van je leren afbijten.
Letterlijk. Weer komen Tijm en Linde aanrennen met een cirkel rode tandjes in hun vlees. Als het, half jaar oudere, buurmeisje Jasmijn ziet aankomen rent ze hard weg. Doet mama niet haar zin dan zet ze zonder meer haar kaken op mijn arm of dij. Mevrouw de directeur.
We zagen het al aankomen, vlak na de geboorte. Onze jongste combineert het energie en activiteitsniveau van haar broer met de eigenwijsheid van haar zus. Daar krijgen we nog heel wat mee te stellen, riepen we, later.
Later is nu, nu ze een peuter is. Ik zou er aan gewend moeten zijn, ermee om kunnen gaan, die peuterdriftkikkers, het is mijn derde immers al. Ik weet wel dat die anderen het ook deden, nog steeds doen, dat gegil, gekrijs, gedram en gezeur. Dat het normaal is. Een fase, en dat ze er wel overheen groeit. Maar ook dat dat nog jaren gaat duren.
Je gaat het nog missen, zei vanmorgen iemand tegen me, glimlachend, haar eigen kinderen bijna het huis uit, toen ik vertelde over mijn leven met drie kleine kinderen. Ik kon me daar weinig bij voorstellen. Ik dacht alleen aan de rust, het werk dat ik gedaan zou krijgen, de slaap die ik zou inhalen. Drie kinderen op de basisschool lijkt me het paradijs, en ik tel af, één in groep twee, nog twee te gaan. Toch heeft ze natuurlijk gelijk. Deze verschrikkelijk zware jaren zijn zo verschrikkelijk mooi.
En als ik haar zie staan, mijn jongste dochter, wijzend, schreeuwend, van ‘wa’ en ‘mek’ en ‘koekoe’, drammend, stampend, krijsend, dan moet ik stiekem een beetje lachen. Ik pak haar op, dat stijve, tot in de tenen gespannen boze lijfje, en alles wat ik wil is haar knuffelen. Ze spartelt zich los, schoppend en slaand, en ik voel haar warme levenslust. Haar zachte huid, haar scherpe tandjes en haar wapperende armen. Op de grond liggend kijkt ze me aan, met vuurspugende ogen. En ik weet hoe veel ik haar zal missen.
Over een maand begint ze op de peuterschool. Ik wens ze succes.
Nou ja, dame. Grote zus is zacht en roze, poppen en barbies en prinsessen en ballet. Jasmijn weet wat ze wil, en dat is het niet. Jasmijn is klimmen op alles wat in haar pad komt. Jasmijn is vreemde honden aaien, snoeiend hard steppen en de gruffalo lezen. Zitvlees heeft ze niet, had ze nooit, als baby al niet; niet voor niets heette ze al snel de wapper. Ze heeft net zulke prachtige blauwe ogen als grote zus. Maar het engelachtige gezichtje verhult een monstertje. Het wappermonster.
Het is ook niet niets, de jongste zijn. Opboksen tegen die twee, die altijd ouder zijn en sterker en meer kunnen. Dan moet je van je leren afbijten.
Letterlijk. Weer komen Tijm en Linde aanrennen met een cirkel rode tandjes in hun vlees. Als het, half jaar oudere, buurmeisje Jasmijn ziet aankomen rent ze hard weg. Doet mama niet haar zin dan zet ze zonder meer haar kaken op mijn arm of dij. Mevrouw de directeur.
We zagen het al aankomen, vlak na de geboorte. Onze jongste combineert het energie en activiteitsniveau van haar broer met de eigenwijsheid van haar zus. Daar krijgen we nog heel wat mee te stellen, riepen we, later.
Later is nu, nu ze een peuter is. Ik zou er aan gewend moeten zijn, ermee om kunnen gaan, die peuterdriftkikkers, het is mijn derde immers al. Ik weet wel dat die anderen het ook deden, nog steeds doen, dat gegil, gekrijs, gedram en gezeur. Dat het normaal is. Een fase, en dat ze er wel overheen groeit. Maar ook dat dat nog jaren gaat duren.
Je gaat het nog missen, zei vanmorgen iemand tegen me, glimlachend, haar eigen kinderen bijna het huis uit, toen ik vertelde over mijn leven met drie kleine kinderen. Ik kon me daar weinig bij voorstellen. Ik dacht alleen aan de rust, het werk dat ik gedaan zou krijgen, de slaap die ik zou inhalen. Drie kinderen op de basisschool lijkt me het paradijs, en ik tel af, één in groep twee, nog twee te gaan. Toch heeft ze natuurlijk gelijk. Deze verschrikkelijk zware jaren zijn zo verschrikkelijk mooi.
En als ik haar zie staan, mijn jongste dochter, wijzend, schreeuwend, van ‘wa’ en ‘mek’ en ‘koekoe’, drammend, stampend, krijsend, dan moet ik stiekem een beetje lachen. Ik pak haar op, dat stijve, tot in de tenen gespannen boze lijfje, en alles wat ik wil is haar knuffelen. Ze spartelt zich los, schoppend en slaand, en ik voel haar warme levenslust. Haar zachte huid, haar scherpe tandjes en haar wapperende armen. Op de grond liggend kijkt ze me aan, met vuurspugende ogen. En ik weet hoe veel ik haar zal missen.
Over een maand begint ze op de peuterschool. Ik wens ze succes.
donderdag 10 januari 2013
Vakantie
We waren een weekje op vakantie. Samen met opa, oma en tante Bo vlogen we naar Penang, een eiland aan de noordwestkust van Maleisië. We slenterden door de straten van Georgetown om te zien hoe Singapore er vroeger uitzag, voor de invasie van wolkenkrabbers en hygiënepolitie. We voeren naar schildpadden en apenstranden. We loungden aan het zwembad van ons prachtige resort en op het strand. Daarna reden we, geplaagd door buikkrampen, naar de hooglanden van Cameron, waar we in de koele berglucht aardbeien plukten en afternoon tea dronken, met scones, in ons koloniale hotel in Britse Tudor stijl. We genoten. Nu is de vakantie afgelopen en zijn we weer thuis. Nog geen dag terug dient de vraag zich al aan: wat doen we met chinees nieuwjaar?
Het leven van een expat in de tropen is natuurlijk één grote vakantie. Er moet wel eens gewerkt of naar school gegaan, maar ’s middags en in het weekend zit je bij het zwembad of op het strand. Ook de bezienswaardigheden van Singapore kunnen de expat jaren zoet houden. Toch is het niet genoeg. Er zal gereisd worden. Thailand, de Filipijnen, Vietnam, Laos, Cambodja. Vanaf hier ga je geen weekendje naar de Ardennen. Maar ook op een weekje Phuket of Penang wordt neergekeken door de zichzelf respecterende expat. Borrel en speeltuinpraat gaat over dat ene exclusieve resort, op dat ene, afgelegen eiland, niet verpest door toerisme, vijf uur varen van de bewoonde wereld (of beter nog, alleen per helikopter bereikbaar) dat het beste is van heel Azië. Het mooiste strand, het lekkerste eten, de meest luxueuze villa en het sprankelendste zwembad. Niemand mag het kennen, staat het op tripadvisor dan is het passé. Singaporeans, locals en expats alike, willen enkel het beste.
Ook ik ben verpest. Verpest en verwend. Niet dat ik alleen het beste wil. Juist die luxe resorts ben ik beu. Of je nu in de Cariben bent of in Afrika, Thailand of Vietnam. Ze zijn allemaal hetzelfde. Even mooi en luxe als saai. En verschrikkelijk onduurzaam met hun zwembaden en ronkende airconditioning.
Daarnaast ben ik moe. Van vakanties waar te veel te zien is, in te mooie landen, kom ik moeier thuis dan ik wegging. Want op het strand zitten lukt mij niet als er prachtigs te verkennen is. Eigenlijk bleef ik dus liever thuis, straks met chinees nieuwjaar. Maar een week alleen, met drie kinderen wiens vriendjes wél weg zijn, trok ook niet. Dus we gaan toch, weer, weg. Op vakantie. We vliegen naar Phuket, rijden twee uur over land, varen anderhalf in een thaise longtailboat om ons huisje te betrekken op ons afgelegen eiland. Er is geen zwembad, geen airconditioning en geen warm water. Alleen elektriciteit ’s avonds tussen zes en tien. Er zijn geen winkels en geen bezienswaardigheden. Er is jungle. Er is zee. Er is strand. En hopelijk wat zon.
Met chinees nieuwjaar geregeld viel er een zorg van me af. Tot ik vanmorgen in mijn inbox een mail vond van Roel, die de 50% kortingsactie van de budget airliner doorstuurde.
‘Goedkope april vakantie?’ schreef hij erbij. En ‘tooeoeoe?’
Het leven van een expat in de tropen is natuurlijk één grote vakantie. Er moet wel eens gewerkt of naar school gegaan, maar ’s middags en in het weekend zit je bij het zwembad of op het strand. Ook de bezienswaardigheden van Singapore kunnen de expat jaren zoet houden. Toch is het niet genoeg. Er zal gereisd worden. Thailand, de Filipijnen, Vietnam, Laos, Cambodja. Vanaf hier ga je geen weekendje naar de Ardennen. Maar ook op een weekje Phuket of Penang wordt neergekeken door de zichzelf respecterende expat. Borrel en speeltuinpraat gaat over dat ene exclusieve resort, op dat ene, afgelegen eiland, niet verpest door toerisme, vijf uur varen van de bewoonde wereld (of beter nog, alleen per helikopter bereikbaar) dat het beste is van heel Azië. Het mooiste strand, het lekkerste eten, de meest luxueuze villa en het sprankelendste zwembad. Niemand mag het kennen, staat het op tripadvisor dan is het passé. Singaporeans, locals en expats alike, willen enkel het beste.
Ook ik ben verpest. Verpest en verwend. Niet dat ik alleen het beste wil. Juist die luxe resorts ben ik beu. Of je nu in de Cariben bent of in Afrika, Thailand of Vietnam. Ze zijn allemaal hetzelfde. Even mooi en luxe als saai. En verschrikkelijk onduurzaam met hun zwembaden en ronkende airconditioning.
Daarnaast ben ik moe. Van vakanties waar te veel te zien is, in te mooie landen, kom ik moeier thuis dan ik wegging. Want op het strand zitten lukt mij niet als er prachtigs te verkennen is. Eigenlijk bleef ik dus liever thuis, straks met chinees nieuwjaar. Maar een week alleen, met drie kinderen wiens vriendjes wél weg zijn, trok ook niet. Dus we gaan toch, weer, weg. Op vakantie. We vliegen naar Phuket, rijden twee uur over land, varen anderhalf in een thaise longtailboat om ons huisje te betrekken op ons afgelegen eiland. Er is geen zwembad, geen airconditioning en geen warm water. Alleen elektriciteit ’s avonds tussen zes en tien. Er zijn geen winkels en geen bezienswaardigheden. Er is jungle. Er is zee. Er is strand. En hopelijk wat zon.
Met chinees nieuwjaar geregeld viel er een zorg van me af. Tot ik vanmorgen in mijn inbox een mail vond van Roel, die de 50% kortingsactie van de budget airliner doorstuurde.
‘Goedkope april vakantie?’ schreef hij erbij. En ‘tooeoeoe?’
dinsdag 25 december 2012
donderdag 13 december 2012
Sneeuwstorm in Singapore
‘Mama,’ zegt Tijm.
‘Ja, wat is er?’ kijk ik op.
‘Ik vind kerstmis in Singapore helemaal niet leuk,’ zucht hij.
‘Niet leuk? Hoezo?’
‘Nou,’ zegt hij met een frons. ‘Er is geen sneeuw in Singapore met kerst.’
Ik begin uit te leggen dat er in Nederland en Engeland toch ook niet altijd sneeuw is met kerst, dat het soms gewoon regent, net als hier, en dat het vooral gaat om de gezelligheid, samenzijn, vrede op aarde en meer van dat moois. Dan realiseer ik me dat in zijn korte leven bijna alle kerstmissen wit zijn geweest, vol sneeuwpoppen en sleeën en rode neuzen. Hij is niet anders gewend. Ik wel, als kind in de tropen en de woestijn. Wij hadden de slappen naalden van de casuarina boom als kerstboom. Die priknaalden van de spar bij opa en oma vond ik raar. Kerst hoort te zijn, zoals kerst hoort te zijn. En dat is mét sneeuw voor mijn zoon.
Gelukkig is Singapore Singapore, en kun je hier alles krijgen. Zelfs sneeuw. Om half acht ‘s avonds, bij het winkelcentrum, zegt het aanplakbiljet. Vol spanning gaan we op weg. Rondom een hoge kerstboom met veel lichtjes hebben zich al flink wat mensen verzameld. Singaporesen en expats zoals wij, die met nostalgische blik kijken naar de kerstboom tussen de palmen. Rondom staan machines opgesteld, beplakt met glinsterende sneeuwvlokken. Met andere ouders bespreken we wat gaat komen. Zou het daadwerkelijk sneeuw zijn? Net zulke machines staan immers ook langs skipistes, om lege plekken aan te vullen met echte sneeuw. Maar dan is de luchttemperatuur rond het vriespunt. Hier dertig graden hoger. De sneeuw zou smelten zo gauw hij de machine verlaat. We wachten af, luisterend naar vrolijke kerstliedjes. Steeds meer kinderen verzamelen zich voor de mysterieuze machines.
Opeens beginnen de machines te ronken. Ze braken schuim uit, dikke lagen schuim. De kinderen kijken verbaasd toe. Dan snappen ze het, en duiken erin. Tussen bergen bubbels zijn we al snel Tijm en Linde kwijt. Hoofdjes met haren in alle kleuren rennen rond en hebben sneeuwpret in dunne shirtjes en korte broeken. Er wordt gegooid, gegleden, gesmeerd en papa ingezeept. Letterlijk. Ietsje later, als de lawine schuim op de vloer begint te zakken gaan meer machines ronken, deze keer omhoog gericht. Tegen de donkere tropenlucht spuiten dikke, witte vlokken omhoog. In draaiende vlagen dwarrelen de ze rond en dalen neer op de kerstboom, onze hoofden, tassen, camera’s en de palmbomen. Iedereen juicht. Kinderen worden hoog opgelicht in de wervelende massa schuim. Er wordt gesprongen en gedanst.
We hebben geen droge kleren bij ons en rillen nat terug in de kille airconditioning van de bus.
‘Zie je wel dat er ook sneeuw is in Singapore?’ zeg ik tegen Tijm.
Hij grijnst. ‘Het was geen echte sneeuw, hè mama?’
‘Nee,’ knik ik.
‘Het was schuimsneeuw,’ giebelt Tijm, ‘in Singapore hebben ze schuimsneeuw.’
‘Maar schuimsneeuw is ook leuk, toch?’
Ja, juichen Tijm en Linde in koor.
‘Mama,’ vraagt Tijm weer.
‘Ja?’
‘Wanneer gaan we een kerstboom kopen?’
‘Zaterdag,’ beloof ik. ‘Een echte. Mét priknaalden.’
Een ongelofelijk verhaal? Kijk op mijn facebookpagina voor de foto's!
‘Ja, wat is er?’ kijk ik op.
‘Ik vind kerstmis in Singapore helemaal niet leuk,’ zucht hij.
‘Niet leuk? Hoezo?’
‘Nou,’ zegt hij met een frons. ‘Er is geen sneeuw in Singapore met kerst.’
Ik begin uit te leggen dat er in Nederland en Engeland toch ook niet altijd sneeuw is met kerst, dat het soms gewoon regent, net als hier, en dat het vooral gaat om de gezelligheid, samenzijn, vrede op aarde en meer van dat moois. Dan realiseer ik me dat in zijn korte leven bijna alle kerstmissen wit zijn geweest, vol sneeuwpoppen en sleeën en rode neuzen. Hij is niet anders gewend. Ik wel, als kind in de tropen en de woestijn. Wij hadden de slappen naalden van de casuarina boom als kerstboom. Die priknaalden van de spar bij opa en oma vond ik raar. Kerst hoort te zijn, zoals kerst hoort te zijn. En dat is mét sneeuw voor mijn zoon.
Gelukkig is Singapore Singapore, en kun je hier alles krijgen. Zelfs sneeuw. Om half acht ‘s avonds, bij het winkelcentrum, zegt het aanplakbiljet. Vol spanning gaan we op weg. Rondom een hoge kerstboom met veel lichtjes hebben zich al flink wat mensen verzameld. Singaporesen en expats zoals wij, die met nostalgische blik kijken naar de kerstboom tussen de palmen. Rondom staan machines opgesteld, beplakt met glinsterende sneeuwvlokken. Met andere ouders bespreken we wat gaat komen. Zou het daadwerkelijk sneeuw zijn? Net zulke machines staan immers ook langs skipistes, om lege plekken aan te vullen met echte sneeuw. Maar dan is de luchttemperatuur rond het vriespunt. Hier dertig graden hoger. De sneeuw zou smelten zo gauw hij de machine verlaat. We wachten af, luisterend naar vrolijke kerstliedjes. Steeds meer kinderen verzamelen zich voor de mysterieuze machines.
Opeens beginnen de machines te ronken. Ze braken schuim uit, dikke lagen schuim. De kinderen kijken verbaasd toe. Dan snappen ze het, en duiken erin. Tussen bergen bubbels zijn we al snel Tijm en Linde kwijt. Hoofdjes met haren in alle kleuren rennen rond en hebben sneeuwpret in dunne shirtjes en korte broeken. Er wordt gegooid, gegleden, gesmeerd en papa ingezeept. Letterlijk. Ietsje later, als de lawine schuim op de vloer begint te zakken gaan meer machines ronken, deze keer omhoog gericht. Tegen de donkere tropenlucht spuiten dikke, witte vlokken omhoog. In draaiende vlagen dwarrelen de ze rond en dalen neer op de kerstboom, onze hoofden, tassen, camera’s en de palmbomen. Iedereen juicht. Kinderen worden hoog opgelicht in de wervelende massa schuim. Er wordt gesprongen en gedanst.
We hebben geen droge kleren bij ons en rillen nat terug in de kille airconditioning van de bus.
‘Zie je wel dat er ook sneeuw is in Singapore?’ zeg ik tegen Tijm.
Hij grijnst. ‘Het was geen echte sneeuw, hè mama?’
‘Nee,’ knik ik.
‘Het was schuimsneeuw,’ giebelt Tijm, ‘in Singapore hebben ze schuimsneeuw.’
‘Maar schuimsneeuw is ook leuk, toch?’
Ja, juichen Tijm en Linde in koor.
‘Mama,’ vraagt Tijm weer.
‘Ja?’
‘Wanneer gaan we een kerstboom kopen?’
‘Zaterdag,’ beloof ik. ‘Een echte. Mét priknaalden.’
Een ongelofelijk verhaal? Kijk op mijn facebookpagina voor de foto's!
dinsdag 4 december 2012
Vrij verdwalen
Drie maanden Singapore doorkruisen met
taxichauffeurs die de weg weinig beter kenden dat ik had me er al een beetje,
maar bij lange na niet voldoende, op voorbereid: de weg vinden en berijden in
Singapore. Zelfs de tomtom heeft moeite met het ondoorgrondelijke wegennet van
Singapore.
Iemand aan de overkant van onze straat is zo
ver weg als iemand kilometers verderop, want de weg waar wij aan wonen is
breder dan de meeste snelwegen. Acht, tien of op zijn wijdst zelfs twaalf banen
breed. Rijd ik het hek van ons complex uit, dan moet ik naar links. Is mijn
bestemming echter rechtdoor of rechtsaf, ook dan moet ik naar links, dan snel
weer links, slingerend door een woonwijk linksaanhoudend, invoegend op een
andere drukke, brede weg tot ik vijf minuten later weer thuis ben, maar dan
langs de zijkant aan kom rijden en de weg rechtdoor of rechtsaf kan nemen. Wil
ik deze omweg niet nemen dan zal ik linksaf en rechtdoor moeten gaan, om
illegaal bij de markt, of legaal bij het volgende kruispunt een kilometer
verderop, een Singaporese U-bocht te maken.
Deze U-bocht is fundamenteel voor rijden in Singapore.
Maar al te vaak rijd je je doel aan de rechterkant van de weg voorbij en moet je
mopperend doorrijden, hopend dat er zich snel een mogelijkheid aanbiedt om te
draaien. Een legale liefst. Heel naïef dacht ik dat, net als in Europa, draaien
mag zolang er niet aangegeven staat dat het niet mag. Niet waar. Het mag
alleen, bleek, als er aangegeven staat dat het wél mag. Dat verklaarde meteen het boos kijkende meisje, dat laatst mijn
twijfelende wachten, schuin over de weg bij een stoplicht, bozig vastlegde op
haar smartphone. Singaporeans houden zich graag aan regels. En houden niet van
buitenlanders, die dat niet doen.
Heb je eenmaal het principe van rijrichting en
U-bocht begrepen dan moet je de volgende, essentiële vaardigheid leren beheersen: het voorsorteren. In de
drukke chaos van krioelende taxi’s, bussen en auto’s wordt op het laatste
moment van baan verwisselen niet in dank, maar in getoeter afgenomen. Ver voor de
kruising moet je bedenken welke baan de beste kans geeft op aanbelanden op de
juiste weg. Hierbij moet je niet één, maar een paar
afslagen vooruit denken. Een gemiste afslag levert kilometers omweg op. Ondanks
duidelijke borden en pijlen op het wegdek ga ik regelmatig, in blinde paniek,
op een kruising in de fout. Er kan nog meer fout. Terug naar huis moet ik niet
in de tunnel onder het viaduct belanden. Deze komt precies bij ons hek weer
boven. Een bocht, die je net niet haalt, zodat je de eerder omschreven
kilometers omweg opnieuw moet maken.
Tijdens het rijden breekt koud zweet me
regelmatig uit. Ik heb talloze verkeersregels overtreden, de meesten mij
onbekend. Ik heb al een parkeerbon op mijn naam en een kras op mijn bumper.
Naar school rijden gaat tien minuten sneller dan weer naar huis. Ik verdwaal
met de regelmaat van de klok. Ik vervloek bewegingloze files. Maar ik geniet.
Van rijden, dwalen, door deze geweldige stad. Elke keer dat ik mijn weg
kwijtraak leer ik er nieuwe kennen. Met of zonder gillende kinderen veilig
vastgesnoerd in hun stoelen. Rijden in Singapore? Een fantastisch avontuur!
maandag 19 november 2012
Hij kom, hij komt… ook hier
Op de kade, in de brandende zon, heeft zich
een kleurige mensenmassa verzameld. Ook wij wurmen ons ertussen, naar een mooi
plekje vooraan. Gelukkig vinden we er een, bij het water, achter het hek. We kijken
uit over de jachthaven. Het knalblauwe water en de witte schepen, achter de
pier wiegen wat palmbomen. Een heel gewoon tropisch tafereel. Op de pier gaat
het er anders aan toe. Over een verhoging bij de jachthaven rent een meneer met een paarsblauwe hoed in de vorm van een boot. Hij roept, gilt,
zingt. Hij zweet. Ook de zingende mensenmassa wist zich het voorhoofd af. Wat
is het heet. De kinderen, in bonte mutsen en rode mantels, lijken weinig last
te hebben. Ongeduldig rennen ze rond.
We wachten. We turen het water af, of kijken
naar de druk pratende meneer. Een kindje is zijn ouders kwijt. De boot is vast
de weg kwijt. Dan schalt er muziek door de haven. We zingen, we springen, we zijn zo blij.
Ongeduldig rekken we onze halzen. We zingen over donkere nachten en lelijk
weer, en we denken aan hagel en wind, aan rijp op het gras en die zwarte, koude
ochtenden waar je in het donker naar school fietst. Intussen hamert de zon op
onze hoofden en gutst het zweet in dikke stralen over onze ruggen.
Dan zien we, van om de hoek, een boeggolf de
haven in rimpelen. We strekken onze nekken verder en jawel: hij komt! Op het
dak van de boot dansen kleurige zwarte pieten, in warm fluweel, het zwart
stroomt langs hun oren. Handen strooigoed scheren over het water. De
goedheiligman en zijn knechten klimmen de kade op en de pepernoten vliegen rond.
Grijnzend laat Tijm me de gevangen schat zien, vanonder zijn rode mijter. Linde,
met gestreepte muts, heeft haar mond zo vol dat praten teveel is. Glunderend
rennen ze rond, rapend en joelend. Zo’n intocht kenden ze alleen van tv. We
verhuisden van Engeland naar de tropen en opeens zijn we terug in Nederland. Raar,
maar ook weer niet. Ik geniet, want deze hete, bezwete intocht is voor mij
precies zoals het hoort. In Maleisië, in Oman, ook waar ik vroeger woonde voer de goedheiligman langs, altijd koel en
waardig in de hete zon. Net als hier, in Singapore’s Keppel Bay. En dan door,
in vliegende vaart, want over acht uur moet hij in Roermond zijn. Gelukkig maar, dat zijn boot een speedboot
is.
Een uurtje later, met vierhonderdvijftig
kinderen in de airconditioned zalen van de Hollandse Club hebben we de tropen
helemaal afgeschud. Het is, zoals het altijd, overal, is geweest. We wachten,
weer, want de oude baas is onveranderlijk te laat. Hij was, per abuis,
aanbeland bij de Japanse Club om de hoek. En genoot zo van de sushi aldaar, dat
hij bleef lunchen. Er wordt gezongen, gestrooid en er zijn kadootjes.
Die avond lopen, Tijm, Linde en Jasmijn
zorgelijk rond met hun schoenen. We hebben geen schoorsteen. De airco, stel ik
voor, maar nee, die hangt aan het plafond. Ze kiezen voor de balkondeuren,
geopend op een kier. De wortel en de sla liggen klaar in crocs en slippers. En
we wachten weer af…
Abonneren op:
Posts (Atom)
