Druk, druk, moeder van drie kinderen, probeert erbij te werken, enzo. Je kent het wel. En dan drie blogs bijhouden, twee dagen op kantoor, een boek schrijven, artikelen voor allerlei tijdschriften. Het wordt wat veel. Zeker omdat ik op het moment ook nog eens geveld ben door een tropische ziekte met een onuitspreekbare naam. Chickenwatte? Chikungunya, die dus.
Vandaar dat ik op het moment even deze blog een beetje verwaarloos. Want jullie, Nederlandse lezers, kunnen uiteraard goed Engels. Toch? In ieder geval beter dan dat mijn Engelse lezers Nederlands lezen... en de keuze was snel gemaakt. Wil je de laatste update lezen van ons leven, kijk dan op mijn Engelstalige blog www.bedu-mama.com, waar je kunt lezen over de aanvaring met de mug die op het moment mijn leven zuur maakt.
Lees je toch liever in het Nederlands? Kijk dan eens op de nieuwe website Lindanieuws, want ook daar zal ik van af nu regelmatig te vinden zijn, als een van de 'wereldwijven' die op lokatie verslag doen.
Hier vind je mijn eerste stuk, over de Formule 1 in Singapore, de race die heel de stad dit weekend op zijn kop zette. Zonder mij dan, want ik was ziek, en gaf de kaartjes aan onze hulp, die een geweldige avond had met een vriendin bij de Killers.
Tot snel! Hoop ik...
maandag 23 september 2013
donderdag 12 september 2013
Spelend leren
De buurjongen cirkelt rond de patio.
‘Mag Tijm buiten komen spelen?’ ‘Natuurlijk,’ knik ik, en roep naar binnen, ‘Tijm, kom eens, je vriendje is er.’
Tijm’s hoofd steekt door de open deur.
‘Nee,’ schudt hij, ‘ik ben huiswerk aan het maken.
‘Ik denk dat je wel genoeg huiswerk hebt gemaakt,’ antwoord ik, ‘kom buiten spelen, het regent eventjes niet.’
‘Nee,’ roept hij terug, ‘ik wil meer huiswerk maken.’
Ik loop naar binnen, en tegenstribbelend sleep ik hem weg bij de computer.
In Nederland is het al vreemd genoeg dat een vijfjarige huiswerk heeft. Vijfjarigen leren door te spelen. Dat denk ik tenminste, al ben ik sinds de jaren tachtig niet meer in een Nederlandse basisschool geweest. Hoe dan is het de Engelse sectie van de Nederlandse internationale school, die als eerste met huiswerk komt. Tijm van vijf vind het geweldig. Met dit soort huiswerk verbaasd me dat niet.
Het programma moet wel Amerikaans zijn. Samen loggen we in, en beginnen met de leesboekjes. Voor elk beluistert boek krijgt Tijm sterren. Voor elk zelf gelezen boek, meer sterren. Als we zijn lezen opnemen voor de juf, bonussterren. Alle vragen van de quiz goed beantwoord? Extra super bonus sterren. Terwijl hij sterren verzameld stijgt Tijm’s rang. Van private tot lieutenant-commander, is hij nu al captain. Met de verdiende sterren kan hij prijzen kopen. Om dat te doen moet hij een raket nemen naar een andere planeet. Voor duizenden sterren kan hij nieuwe planeten kopen. Maar dan moet hij wel stoppen met uitgeven. Op zijn eerste planeet heeft Tijm een kamer waar hij zijn aankopen kan opslaan. Hij heeft al een cactus die cakejes bloeit, een piraat-gorilla-robot, een rode bureaustoel, een oranje pluizig beest, een zwevende vierkante robot, een telescoop, en een gekke plant met ogen op steeltjes.
Wanneer Tijm wakker wordt, of uit school komt, rent hij naar de computer om meer sterren te verdienen. Hij leest, leest en leest. Een boek per week, beval de juf aan. De eerste dag, samen, werken we ons door het eerste level, vijftien boeken. De tweede dag, als ik niet kijk, leest hij het volgende level. Samen nemen we wat boeken op, en de juf en ik zijn onder de indruk hoe soepel mijn zoon leest in deze taal, die niet zijn moedertaal is. Die middag, als ik ben werken, leest hij nog een level weg. De volgende dag lezen we weer samen, en nu wordt het moeilijker. De verleden tijd, ate in plaats van eat, played in plaats van play. Bij zijn Nederlandse les leren ze net ‘ik ben’.
Ik reken uit, met een boek per week had het een jaar geduurd voor hij dit level had bereikt. Maar Tijm is niet te houden. En ik stel mezelf een vraag die ik nooit had verwacht: hoe zorg ik dat mijn zoon wat minder huiswerk doet?
woensdag 4 september 2013
De boom, deel twee
Zoals ik eerder vertelde zijn de grootste problemen in ons junglehuis niet van dierlijke aard. Vallende takken, prikkende bladeren, en, het meeste vervelende is het kleinste, de schimmels.
Nadat ik de vorige poging van onze huisbaas om onze dak bedreigende mangoboom om te kappen naar huis had gestuurd, koste het slechts twee maanden van vriendelijke herinneringen, geïrriteerde e-mails en boze telefoontjes tot er versterkingen kwamen. Niet een, niet twee, maar vier Indiase mannen arriveerden, professioneel in dezelfde groene shirts en gele helmen. Ik had nog nooit een boom gekapt zien worden, en ging en eens goed voor zitten.
Ze begonnen met de boom uitgebreid te observeren. Wel tien minuten staarden de vier mannen naar de boom, vanuit alle hoeken foto’s makend met hun mobiele telefoons. Toen ontstond er een verhit debat. In het Tamil, en ik nam aan dat het ging om hoe het beste de klus te klaren, zonder dat de boom op ons net gerepareerd dak zou vallen. Er leek een probleem te zijn. De manager moest gebeld. Aangezien hun Engels weinig beter was dan mijn Tamil, duurde het even voor de kwestie opgelost was. Eindelijk waren we eruit. Er was hun verteld een omgevallen boom te ruimen. De onze stond fier rechtop. Nadat was vastgesteld dat dit toch echt de boom in kwestie was konden ze aan het werk. Gereedschap werd gehaald.
Eerst moest er een touw aan de boom. Na verschillende tevergeefse worpen met een verzwaard touw, dat steeds ternauwernood dat net gerepareerde dak miste, schopte een van de mannen zijn laarzen uit en klom met een indrukwekkende snelheid de stam is, zo soepel als onze makaken dat doen. Toen het touw vast zat werd me duidelijk waarom er vier mannen nodig waren. Eén ging aan de gang met de kettingzaag, de anderen trokken aan het touw, om de boom de juiste kant op te leiden. Net voor de boom met een brullende kraak neer zou storten zag ik een rode sunbird neerstrijken in de kroon van de boom. In de wirwar van vallend groene blad die volgde raakte ik de rode flits kwijt. Het bulderende geluid van de neerstortende boomstam werd seconden later gevolgd door een knetterende donder in de lucht.
Nu slepen ze de in stukken gezaagde boom in de stromende regen weg, terwijl ik onder mijn droge, onbeschadigde dak zit te typen. Maar ook ik heb werk te doen. Eerst, de kleumend natte mannen voorzien van hete koffie. Dan moet ik met een natte doek met bleek de volgende strijd aangaan. Die met de zwaarste tegenstander ooit: de schimmels, die in dit zogenaamd droge seizoen, dat natter is dan de moesson zou moeten zijn, welig tieren. De ontvochtigers die ik kocht maken een gigantisch verschil, ons huis ruikt niet langer naar een champignon kwekerij. Maar we moeten scherp blijven.
De terroristische zwarte stippen blijven oprukken, van alle kanten. Ik droom een leger bij elkaar, klein als mieren, gekleed in dezelfde groene shirts en gele helmpjes, die foto’s nemen met minuscule telefoons, en managers bellen voordat ze borstels tevoorschijn halen die zo klein zijn dat ze schimmels uit de kleinste hoekjes en gaten kunnen wegschrobben. Zucht. Dromen mag, toch?
donderdag 29 augustus 2013
Kukeleku
Na de eerste nacht in ons nieuwe huis wordt ik gewekt door het kukeleku van een verre haan. Leuk, dacht ik slaperig, de buren hebben kippen. Moeten wij ook doen.
Later realiseer ik me dat de buren een grote hond hebben, eentje die succesvol de apen weghoudt van hun bescheiden bananenplantage. Deze zou nooit pluimvee tolereren op zijn erf. Ik moet de haan gedroomd hebben. Maar ik blijf hem horen, tot ik besef waar het geluid vandaan komt: de jungle.
Internet vertelt me dat het gaat om ‘Red Junglefowl’, gallus gallus. In het Nederlands rode kamhoen, or bavinkahoen genoemd. Voor wie dit alles niets zegt: een wilde kip. Geen weggelopen verwilderde, maar echt wild. Dit hoen is de voorouder van onze huiskip. Mijn maag knort. Eindelijk, scharrelkip.
Als we ze vangen, kunnen we niet alleen langer uitslapen, we hebben ook een verantwoord maaltje. Van eieren, bedoel ik, natuurlijk. Vrije uitloop eieren zijn niet te krijgen in Singapore. Verder lezend begrijp ik dat dat niet kan. De rode kamhoen is in Singapore een beschermde diersoort. En we willen geen bedreigde vogel bedreigen.
Het duurt niet lang voor we de hoenen in vol ornaat te zien krijgen. Eerst moeder hen, met een sliert kuikens in haar kielzog. Ze is weinig opvallend. Een wilde bruinkleur, witte stippels op de borst. De kuikens piepen achter het hek, maar vluchten het groen in als ik, camera in de hand, dichterbij kom om ze dan maar in een plaatje te vangen.
Voor een zeldzame, bedreigde diersoort zijn ze behoorlijk talrijk. De aantallen groeien. We zien ze bij de school, bij vrienden in een woonwijk. Net als hun bekendere nageslacht lijken ze het goed te doen in de buurt van mensen.
Het kamhoen inspireert mij. Ik begin te dromen van een dagelijkse toevoer van verse scharreleieren. De vrienden die ik ernaar vraag schudden hun hoofd. Dat kan niet toegestaan zijn in Singapore. Singaporesen hebben hun kip liefst schoon, koel, en verpakt in cellofaan. Of, beter nog, op een bord met rijst.
Een overheidswebsite leert me dat kippen houden wel degelijk mag, mits in een gesloten ren, zodat er geen contact is met de wilde achterneven. Er is angst voor vogelgriep. Gesterkt in mijn droom zoek ik door, op zoek naar fora, om van gelijkgestemden tips te krijgen, voor waar je hokken, voedsel, en vooral, levende kippen kunt krijgen. Ik vind weinig. Ik vind iemand die, vier jaar geleden, kippen te koop aanbod. Vijftig dollar per stuk. Hij is ermee gestopt.
Dan vind ik kwartels. Vijftien dollar pers stuk. De man die ze verkocht heeft geen idee hoe aan een ren te komen, maar wel advies over verzorging en voedsel.
Dus nu droom ik, niet over hanen, maar over kwartels. En ik lig wakker, piekerend over hoe ik een ren bouw die apen, slangen en peuters buiten houdt.
woensdag 21 augustus 2013
Thuis
We zijn in het park. Het is druk, en als altijd trekken onze blonde kinderen de aandacht. Waar ze vandaan komen, vraagt een vriendelijke oude man aan Tijm en Linde. Ik spits mijn oren, nieuwsgieriger naar het antwoord dan de vrager. Ik zie mijn kinderen twijfelen. Ik zie ze elkaar aankijken, en, zonder woorden, de verschillende opties afwegen. Onzeker antwoordt Tijm, Engeland, mompelt hij. Hij kijkt me vragend aan en ik knik. Het is een goed antwoord. Eén ervan.
De vraag wordt hen vaker gesteld, en ze geven steeds een ander antwoord. Het is een moeilijke vraag. Geboren in Engeland, wonend in Singapore en in het bezit van een Nederlands paspoort. Mijn eigen situatie is hetzelfde, nog lastiger zelfs, want ik heb in meer landen gewoond. Op hoe meer plekken je woont, des te minder kom je van een van die plekken vandaan.
Toen we naar Singapore verhuisden voelde ik me heel snel thuis. Was dat omdat het me aan Maleisië deed denken, een van de landen van mijn jeugd? Misschien, ook, maar ik denk dat een andere belangrijke reden is dat Singapore boven al een immigrantenstad is. Elke Singaporees kun je vragen hoe lang hij, of tenminste zijn voorouders, hier al zijn. Natuurlijk zijn er verschillen. Er zijn de ‘Singaporesen’ die officieel staatsburger zijn. Zij zijn van overwegend Chinese afkomst, gevolgd door grote groepen met een Maleise of Indiase achtergrond. Dan zijn er de expatriates. The rijkere ‘expats’, uit Europa, Amerika, Australië of Aziatische landen als Japan, China, Korea en Vietnam. Er zijn de ‘foreign workers’, minder goed bedeeld, komend uit landen als Indonesië, Sri Lanka, India of de Filipijnen. Expatriates kunnen bezoekers zijn, tijdelijk uitgezonden, of de meer geaarde ‘permanent residents’ die van plan zijn te blijven. En dan zijn er natuurlijk Eurasians, en anderen van gemengde afkomst.
Vergeleken met andere landen ben ik weinig mensen tegengekomen die vinden dat zij, omdat ze hier langer zijn, meer rechten hebben dan anderen. Singaporesen beoordelen mensen niet zozeer op hoe lang ze er al zijn, maar op hoe lang ze willen blijven. Hier alleen voor een paar comfortabele jaren als expat? Slechts een simpele buitenlandse kracht? Dan kun je je mening beter voor je houden. Maar als je hier wilt blijven, en kunt en wilt bijdragen, dan wordt je uiteindelijk deel van de smeltkroes die Singapore is.
Voor mij, de zwervende nomade, is het natuurlijk maar de vraag hoe lang ik kan en wil blijven. Geen baan, geen verblijfsvergunning, tenzij we de begeerde ‘permanent residency’ aanvragen. En over een paar jaar kan het bij mij weer gaan kriebelen. Gelukkig heeft Singapore een plek voor mensen zoals ik: een bloeiende expat scene. Misschien moet ik dat antwoorden als die irritante vraag weer komt? Ik? Ik ben een expat. Een eeuwige expat. Blij te leven in een stad waar ik niet de enige ben.
Het is eigenlijk een stomme vraag. Ik woon hier. Ik ben een slak die zijn huis op zijn rug draagt, gelukkig met mijn leven. Als ik naar mijn kinderen kijk, worstelend met dezelfde vragen als ik, besef ik maar al te goed. Het maakt niet uit waar ik vandaan kom. Ik weet precies waar ik thuis ben. Daar waar mijn gezin is.
De vraag wordt hen vaker gesteld, en ze geven steeds een ander antwoord. Het is een moeilijke vraag. Geboren in Engeland, wonend in Singapore en in het bezit van een Nederlands paspoort. Mijn eigen situatie is hetzelfde, nog lastiger zelfs, want ik heb in meer landen gewoond. Op hoe meer plekken je woont, des te minder kom je van een van die plekken vandaan.
Toen we naar Singapore verhuisden voelde ik me heel snel thuis. Was dat omdat het me aan Maleisië deed denken, een van de landen van mijn jeugd? Misschien, ook, maar ik denk dat een andere belangrijke reden is dat Singapore boven al een immigrantenstad is. Elke Singaporees kun je vragen hoe lang hij, of tenminste zijn voorouders, hier al zijn. Natuurlijk zijn er verschillen. Er zijn de ‘Singaporesen’ die officieel staatsburger zijn. Zij zijn van overwegend Chinese afkomst, gevolgd door grote groepen met een Maleise of Indiase achtergrond. Dan zijn er de expatriates. The rijkere ‘expats’, uit Europa, Amerika, Australië of Aziatische landen als Japan, China, Korea en Vietnam. Er zijn de ‘foreign workers’, minder goed bedeeld, komend uit landen als Indonesië, Sri Lanka, India of de Filipijnen. Expatriates kunnen bezoekers zijn, tijdelijk uitgezonden, of de meer geaarde ‘permanent residents’ die van plan zijn te blijven. En dan zijn er natuurlijk Eurasians, en anderen van gemengde afkomst.
Vergeleken met andere landen ben ik weinig mensen tegengekomen die vinden dat zij, omdat ze hier langer zijn, meer rechten hebben dan anderen. Singaporesen beoordelen mensen niet zozeer op hoe lang ze er al zijn, maar op hoe lang ze willen blijven. Hier alleen voor een paar comfortabele jaren als expat? Slechts een simpele buitenlandse kracht? Dan kun je je mening beter voor je houden. Maar als je hier wilt blijven, en kunt en wilt bijdragen, dan wordt je uiteindelijk deel van de smeltkroes die Singapore is.
Voor mij, de zwervende nomade, is het natuurlijk maar de vraag hoe lang ik kan en wil blijven. Geen baan, geen verblijfsvergunning, tenzij we de begeerde ‘permanent residency’ aanvragen. En over een paar jaar kan het bij mij weer gaan kriebelen. Gelukkig heeft Singapore een plek voor mensen zoals ik: een bloeiende expat scene. Misschien moet ik dat antwoorden als die irritante vraag weer komt? Ik? Ik ben een expat. Een eeuwige expat. Blij te leven in een stad waar ik niet de enige ben.
Het is eigenlijk een stomme vraag. Ik woon hier. Ik ben een slak die zijn huis op zijn rug draagt, gelukkig met mijn leven. Als ik naar mijn kinderen kijk, worstelend met dezelfde vragen als ik, besef ik maar al te goed. Het maakt niet uit waar ik vandaan kom. Ik weet precies waar ik thuis ben. Daar waar mijn gezin is.
maandag 12 augustus 2013
Acht weken
Acht weken duren lang. Acht weken van geen school, van drie kinderen thuis die vermaakt willen worden, acht weken waarin alleen tijd is voor het strikt noodzakelijke. Vooral als je ook nog eens net verhuisd bent voor die tijd, en er nog iets is wat de aandacht opeist: het nieuwe huis. Gelukkig was er in het midden ontspanning. Na drie weken van smog, strand, en werk en spelen in de tuin stapten we op het vliegtuig. Bestemming: Europa.
Wat me het meest is bijgebleven van die drie weken zijn de geuren. De geuren van Europa. De geur van mijn ouders tuin in de vroege morgen, wij net uit het vliegtuig, groen, fleurig en vooral zo fris. Fris, op die eerste dag, koel voor ons, half bewolkt en net boven de twintig graden. De geur van de Noordzee, die zo anders is dan die van de lauwe golven van Sentosa, waar saté en friet overheersen, en net zo anders als die van het hete zand van Azië’s meer verlaten stranden. Die op hun beurt weer compleet anders ruiken dan een Hollands duin dat bakt in de zon.
De hittegolf die West Europa de afgelopen weekend in de ban hield, deed mij geloven dat Nederland, toch, een geweldige plek is om te wonen. Terwijl arme papa moest werken, op de zonnige terrassen van Londen, speelden wij met oma’s en opa’s, neefjes, vrienden en andere familie, op het strand, in duinen en tuinen. De week erop, met papa en zijn kater weer thuis, reden we naar Friesland, met zijn eigen geuren. De modderige, aardige geur van de meren, de onbeschrijfbare geur van nat, klapperend zeil, en natuurlijk die van rijen loeiende zwart-witte koeien.
Na Friesland trokken we naar het zuiden, naar de schoonfamilie in Portugal, die op het platteland wonen omgeven door uitgestrekte dennen en eucalyptusbossen, met een geur zo sterk, fris, en overweldigend dat ik me niet kan voorstellen dat er in die streek ooit iemand verkouden wordt. Na plezier in het bos en het zwembad was het alweer tijd voor de lange reis naar huis. Thuis begon al op Schiphol, waar de halve school van de kinderen op hetzelfde vliegtuig wachtte.
Ik dacht altijd dat ik vooral van de tropen hield vanwege de geur. Want de hitte die mijn reumatische pijn verzacht maakt alles immers ook sterker ruiken, bedwelmender. En ben ik niet, boven alles, een geurenmens? Maar toen we na drie weken afwezigheid ons nieuwe huis weer binnenkwamen gruwelde ik. Voor mij ruiken de tropen nu bedorven, verrot, beschimmeld, als ons huis bedekt met een dun laagje stinkend groen waas.
Natuurlijk is Europa in de winter en de herfst niet zo aantrekkelijk als het de laatste paar weken was. Het zal er koud en nat zijn, de reden dat ik weg wilde. Ik weet, en ruik, dat ons huis na luchten een stuk aangenamer wordt. Toch. Zal ik nu iets zeggen wat ik nooit had gedacht: Zittend in mijn tropische tuin mis ik soms de geur van een Nederlandse bloementuin. De frisheid. De knisperigheid. De helderheid.
Gelukkig heb ik geen tijd voor sentimentaliteiten. Van de acht lange weken zijn nog vijf dagen over. En ik moet een lucht-ontvochtiger kopen. Zo snel mogelijk.
Wat me het meest is bijgebleven van die drie weken zijn de geuren. De geuren van Europa. De geur van mijn ouders tuin in de vroege morgen, wij net uit het vliegtuig, groen, fleurig en vooral zo fris. Fris, op die eerste dag, koel voor ons, half bewolkt en net boven de twintig graden. De geur van de Noordzee, die zo anders is dan die van de lauwe golven van Sentosa, waar saté en friet overheersen, en net zo anders als die van het hete zand van Azië’s meer verlaten stranden. Die op hun beurt weer compleet anders ruiken dan een Hollands duin dat bakt in de zon.
De hittegolf die West Europa de afgelopen weekend in de ban hield, deed mij geloven dat Nederland, toch, een geweldige plek is om te wonen. Terwijl arme papa moest werken, op de zonnige terrassen van Londen, speelden wij met oma’s en opa’s, neefjes, vrienden en andere familie, op het strand, in duinen en tuinen. De week erop, met papa en zijn kater weer thuis, reden we naar Friesland, met zijn eigen geuren. De modderige, aardige geur van de meren, de onbeschrijfbare geur van nat, klapperend zeil, en natuurlijk die van rijen loeiende zwart-witte koeien.
Na Friesland trokken we naar het zuiden, naar de schoonfamilie in Portugal, die op het platteland wonen omgeven door uitgestrekte dennen en eucalyptusbossen, met een geur zo sterk, fris, en overweldigend dat ik me niet kan voorstellen dat er in die streek ooit iemand verkouden wordt. Na plezier in het bos en het zwembad was het alweer tijd voor de lange reis naar huis. Thuis begon al op Schiphol, waar de halve school van de kinderen op hetzelfde vliegtuig wachtte.
Ik dacht altijd dat ik vooral van de tropen hield vanwege de geur. Want de hitte die mijn reumatische pijn verzacht maakt alles immers ook sterker ruiken, bedwelmender. En ben ik niet, boven alles, een geurenmens? Maar toen we na drie weken afwezigheid ons nieuwe huis weer binnenkwamen gruwelde ik. Voor mij ruiken de tropen nu bedorven, verrot, beschimmeld, als ons huis bedekt met een dun laagje stinkend groen waas.
Natuurlijk is Europa in de winter en de herfst niet zo aantrekkelijk als het de laatste paar weken was. Het zal er koud en nat zijn, de reden dat ik weg wilde. Ik weet, en ruik, dat ons huis na luchten een stuk aangenamer wordt. Toch. Zal ik nu iets zeggen wat ik nooit had gedacht: Zittend in mijn tropische tuin mis ik soms de geur van een Nederlandse bloementuin. De frisheid. De knisperigheid. De helderheid.
Gelukkig heb ik geen tijd voor sentimentaliteiten. Van de acht lange weken zijn nog vijf dagen over. En ik moet een lucht-ontvochtiger kopen. Zo snel mogelijk.
zondag 30 juni 2013
Nieuwe ontmoetingen
Na onze eerste, enerverende, kennismaking met de apen, hebben we geleerd vreedzaam samen te leven. De makaken zwerven door het oerwoud, en komen slechts af en toe bij ons op bezoek. Op die dagen heb ik geleerd ramen dicht en bananen uit het zicht te laten. Dan spelen ze rustig in de tuin en eten palmzaden, hoog in de kruin verstopt.
En er is genoeg ander wild te zien en te horen. Het begint al ’s ochtends vroeg, als we worden wakker gekraaid door wilde hanen. Roel spotte een Maleise vliegende kat, een soort flinke eekhoorn, die in de schemer naar buiten komen om sierlijk van boom tot boom te zweven. Kleine bruine, niet vliegende maar soepel springende, eekhoorntjes buitelen lustig door de bomen, samen met kleurige vogels en vlinders. Minder verguld zijn we van de verhalen over het wilde zwijn, dat al een hond in de buurt aangevallen heeft, en de buurman die een nest jonge zwarte cobra’s vond. De meterslange varaan, die rustig over de weg sjokte, bekeken we met open mond, maar zijn kleinere neefjes, de tjitjaks en gecko’s die door hele huis klimmen kunnen ons niet deren. Het zijn vriendelijke beestjes, die insecten en muggen eten, en het enige irritante aan ze zijn de kleine poepjes die ze overal deponeren.
Gevaarlijker dan de dieren lijken de planten, tot nu toe dan. Het siergras met zijn vlijmscherpe en stekelige bladeren heeft me al een paar keer tot bloedens toe gesneden. Linde stootte haar hoofd aan een uitstekende tak. En na twee weken droogte en smog, kostte het maar een kleine tropische storm om de mangoboom achter het huis een flinke tak op ons dak te laten vallen. Buren vertelden ons dat dit een veel voorkomend probleem is. Een groot stuk van diezelfde mangoboom was al eerder op het dak gevallen, en de vorige bewoners hadden een flinke lekkage in de badkamer. De huisbaas, de Singaporese overheid, was zo langzaam met het repareren dat ze, gedesillusioneerd, vertrokken. Tegen de tijd dat wij erin trokken zat er een splinternieuw dak op het huis. Dus toen we klaagden dat de boom eruit moest waren we benieuwd wat er zou gebeuren.
De volgende dag al stond er een grijnzende Indiase jongen voor de deur, een kleine kettingzaag in de hand. Helaas was het dezelfde jongen die de ‘professionele’ schoonmaak van ons huis had gedaan, waar hij met zijn vieze doekje vlekken maakte op de net door mij uitgesopte keukenkastjes. Dezelfde jongen die de palmbomen in de voortuin zo toetakelde dat het mij op bestraffende blikken van de tuinman kwam te staan. Een heel groot nee welde in mij op. Nee, leg die kettingzaag neer. Nee, jij komt niet in de buurt van mijn mangoboom. Ik zag de boom al vallen, in gedachten, midden op onze glimmende nieuwe pannen. De jongen grijnsde weer, beledigd nu, me verzekerend dat het geen probleem zou zijn, hij had al groteren bomen gekapt. Maar ik hield mijn poot stijf en de boom zijn stam. De mangoboom staat, en wij wachten af.
En er is genoeg ander wild te zien en te horen. Het begint al ’s ochtends vroeg, als we worden wakker gekraaid door wilde hanen. Roel spotte een Maleise vliegende kat, een soort flinke eekhoorn, die in de schemer naar buiten komen om sierlijk van boom tot boom te zweven. Kleine bruine, niet vliegende maar soepel springende, eekhoorntjes buitelen lustig door de bomen, samen met kleurige vogels en vlinders. Minder verguld zijn we van de verhalen over het wilde zwijn, dat al een hond in de buurt aangevallen heeft, en de buurman die een nest jonge zwarte cobra’s vond. De meterslange varaan, die rustig over de weg sjokte, bekeken we met open mond, maar zijn kleinere neefjes, de tjitjaks en gecko’s die door hele huis klimmen kunnen ons niet deren. Het zijn vriendelijke beestjes, die insecten en muggen eten, en het enige irritante aan ze zijn de kleine poepjes die ze overal deponeren.
Gevaarlijker dan de dieren lijken de planten, tot nu toe dan. Het siergras met zijn vlijmscherpe en stekelige bladeren heeft me al een paar keer tot bloedens toe gesneden. Linde stootte haar hoofd aan een uitstekende tak. En na twee weken droogte en smog, kostte het maar een kleine tropische storm om de mangoboom achter het huis een flinke tak op ons dak te laten vallen. Buren vertelden ons dat dit een veel voorkomend probleem is. Een groot stuk van diezelfde mangoboom was al eerder op het dak gevallen, en de vorige bewoners hadden een flinke lekkage in de badkamer. De huisbaas, de Singaporese overheid, was zo langzaam met het repareren dat ze, gedesillusioneerd, vertrokken. Tegen de tijd dat wij erin trokken zat er een splinternieuw dak op het huis. Dus toen we klaagden dat de boom eruit moest waren we benieuwd wat er zou gebeuren.
De volgende dag al stond er een grijnzende Indiase jongen voor de deur, een kleine kettingzaag in de hand. Helaas was het dezelfde jongen die de ‘professionele’ schoonmaak van ons huis had gedaan, waar hij met zijn vieze doekje vlekken maakte op de net door mij uitgesopte keukenkastjes. Dezelfde jongen die de palmbomen in de voortuin zo toetakelde dat het mij op bestraffende blikken van de tuinman kwam te staan. Een heel groot nee welde in mij op. Nee, leg die kettingzaag neer. Nee, jij komt niet in de buurt van mijn mangoboom. Ik zag de boom al vallen, in gedachten, midden op onze glimmende nieuwe pannen. De jongen grijnsde weer, beledigd nu, me verzekerend dat het geen probleem zou zijn, hij had al groteren bomen gekapt. Maar ik hield mijn poot stijf en de boom zijn stam. De mangoboom staat, en wij wachten af.
Abonneren op:
Posts (Atom)

