In West Europa komt alles tot stilstand als er meer dan een paar centimeter sneeuw valt, of de thermometer boven de dertig uitkomt. Niemand praat over iets anders meer dan het weer.
In Singapore is niemand onder de indruk van tropische regenstormen of hitte, maar we hebben iets anders: smog. Elk jaar, in het droge seizoen, steken boeren op Sumatra velden en bossen in brand. Om resten van oude oogsten te verwijderen, of nieuwe velden te creëren, en deze met as te bemesten. De rook die deze ‘slash and burn’ methodes produceert waait over de nauwe zeestraat naar Singapore, waar mensen wat hoesten, en klagen dat de buren eens minder moeten barbecueën.
Dit jaar is het anders. Met meer branden dan normaal, en ongebruikelijk droog en wolkeloos weer, heeft de smogwolk een ongeëvenaarde omvang bereikt. Al dagen snellen de Pollution Standard Indexen, de PSI, omhoog, van de waarden onder de 50 zoals normaal, naar het moment dat voor het eerst de 100, ‘ongezond’, werd bereikt. Nu denken we met weemoed terug aan die frisse lucht die PSI 100 scoorde.
Van 100 gingen we via 150, naar 200, ‘zeer ongezond’, en terwijl iedereen aan schermen geplakt zat voor de laatste waarden steeg hij naar 300, ‘gevaarlijk’. Vandaag, voor de eerste keer in de geschiedenis van Singapore, werd de 400 overschreden. Geen reden voor een feestje. Een PSI waarde boven de 400 is simpelweg ‘extreem gevaarlijk’. We moeten binnenblijven, de airco aanzetten, gezichtsmaskers dragen die overal uitverkocht blijken, en geen inspannende bezigheden verrichten.
Net deze week verhuisden wij naar een vooroorlogse open bungalow, zonder airco, met lekkende deuren, waar we van plan waren het merendeel van onze tijd in de grote, groene tuin door te brengen. Eerst juichten we nog. Toen de smog het centrum Singapore raakte was de lucht in ons bos nog relatief fris, de bomen filterden de ergste troep uit de lucht. Maar dag na dag kroop de rook door de bladeren en nu worden we wakker met hoofdpijn, misselijkheid en pijn in de keel. Ons haar ruikt naar een frietkraam.
Gisteren klaagde ik nog, dat we een stel verwende expats waren, die teveel zeurden. Facebook was voller met smog dan de lucht, met vragen over waar je lucht zuiveraars kon kopen of hoe je zo snel mogelijk de stad uit kon komen. Vandaag, met een PSI boven de 400, kan ik niet eens vertellen over de dingen die ik echt belangrijk vind, over de lokale bevolking van Sumatra, die nu in een hel moet leven, over de schade aan de natuur in het getroffen gebied, en over de westerse wereld, die medeverantwoordelijkheid draagt. Want wij zijn het die de producten van deze boeren indirect kopen, en niet teveel willen betalen, waardoor boeren geen andere, duurzamere maar ook duurdere methoden kunnen gebruiken. Ik heb er de energie niet voor. Ik heb hoofdpijn.
Hoe lang het gaat duren? Niemand, die het weet. Dagen, weken, of zelfs een maand. Het hangt allemaal van het weer af, maar de smog blokkeert onze rode prikkende ogen als we hoopvol naar de hemel kijken, biddend om regen. Regen die maar niet komt. Dus blijven we binnen, spelen spelletjes, verbouwen het huis, kijken films, en proberen zo de kinderen bezig te houden. Vandaag begon de zomervakantie. Expats vluchten de stad uit, vliegreizen naar huis zijn uitverkocht. Wij gaan niet nog niet. We blijven, met weinig vrienden, binnen.
Vanmiddag proberen we een regendans. Doen jullie mee?
vrijdag 21 juni 2013
dinsdag 18 juni 2013
De nieuwe buren
De eerste, korte, kennismaking was tijdens de bezichtiging van het nieuwe huis, toen het nog niet het onze was. Ik zag een van de takken in de hoogste boom zachtjes heen en weer zwiepen. Met tot spleetjes geknepen ogen zag ik een bruine schaduw een dunne tak op klauteren, en toen zachtjes uit het zicht springen.
We verhuisden, pakten de dozen uit, gingen ons thuis voelen. Een paar dagen later, in de namiddag, hoorde ik de bel. De oude, koperen bel bij het hek. Hij belde onregelmatig, twijfelend. Ik liep naar buiten om te kijken wie er was en zag een vreemde groep bij de poort. Sommigen zaten op de grond. Anderen op de palen. Twee baby’s zwaaiden zachtjes heen en weer aan het piepende hek. Ik lachte, en riep de kinderen: ‘Kom eens kijken naar de nieuwe buren!’
Jasmijn kwam opgewonden aanrennen, maar Tijm en Linde kwamen er amper voor bij de tv vandaan. Die zagen ze vaak genoeg op school.
De volgende morgen ontbeten we samen. Wij aten onze toast op de patio, zij knaagden aan de zaden van de palmboom. Af en toe vielen er schillen of bladeren langs de stam in het gras. We bewonderden hun behendigheid. Hun springkunsten. We merken zelfs op dat hun tafelmanieren zo slecht nog niet waren.
Nadat de kinderen in de schoolbus vertrokken waren zag ik een grote klont in de papajaboom hangen. De boom die ik met moeite had opgekweekt in een pot op het oude balkon, die waarvan ik zo blij was dat hij de verhuizing had overleefd. We renden ernaartoe, schreeuwend en zwaaiend, en het bruine wezen snelde weg, de hele top van de boom meenemend. Hij klom de hoge palmboom in, om daar vrolijk de bladeren weg te kauwen. Boos bestudeerde ik de kale stomp. ‘Ontzettende aap,’ riep ik, mijn vuist zwaaiend naar de wuivende palmbladeren.
Ik ging mijn tanden poetsen. Toen hoorde ik Indah gillen in de keuken, en rende erheen, borstel in de mond. Op het aanrecht zat hij, middenin een berg bananenschillen, en keek me triomfantelijk aan. Ook Roel kwam aanrennen, en het beest sprong soepel het keukenraam weer uit. Kwaad zat hij op de grond voor het raam en ontblootte zijn puntige tanden in een gevaarlijke grijns. Snel sloten we het venster en verstopten de overgebleven bananen in de broodtrommel.
Onze nieuwe buren hebben slechte manieren. Ze poepen op het gras en op de was. Ze stelen ons eten. Ze slopen onze tuin. Toch kan ik het niet laten. Ik zit op het terras en zie ze spelen, springend van tak naar tak, alsof ze vliegen. De baby’s, vastgeklemd in stevige omhelzing aan moeders buik, dan loslatend om dartel rond te rennen in een wild tikkertje rond het hek. Ja, ze zijn hondsbrutaal. Maar ze zijn zo schattig.
We verhuisden, pakten de dozen uit, gingen ons thuis voelen. Een paar dagen later, in de namiddag, hoorde ik de bel. De oude, koperen bel bij het hek. Hij belde onregelmatig, twijfelend. Ik liep naar buiten om te kijken wie er was en zag een vreemde groep bij de poort. Sommigen zaten op de grond. Anderen op de palen. Twee baby’s zwaaiden zachtjes heen en weer aan het piepende hek. Ik lachte, en riep de kinderen: ‘Kom eens kijken naar de nieuwe buren!’
Jasmijn kwam opgewonden aanrennen, maar Tijm en Linde kwamen er amper voor bij de tv vandaan. Die zagen ze vaak genoeg op school.
De volgende morgen ontbeten we samen. Wij aten onze toast op de patio, zij knaagden aan de zaden van de palmboom. Af en toe vielen er schillen of bladeren langs de stam in het gras. We bewonderden hun behendigheid. Hun springkunsten. We merken zelfs op dat hun tafelmanieren zo slecht nog niet waren.
Nadat de kinderen in de schoolbus vertrokken waren zag ik een grote klont in de papajaboom hangen. De boom die ik met moeite had opgekweekt in een pot op het oude balkon, die waarvan ik zo blij was dat hij de verhuizing had overleefd. We renden ernaartoe, schreeuwend en zwaaiend, en het bruine wezen snelde weg, de hele top van de boom meenemend. Hij klom de hoge palmboom in, om daar vrolijk de bladeren weg te kauwen. Boos bestudeerde ik de kale stomp. ‘Ontzettende aap,’ riep ik, mijn vuist zwaaiend naar de wuivende palmbladeren.
Ik ging mijn tanden poetsen. Toen hoorde ik Indah gillen in de keuken, en rende erheen, borstel in de mond. Op het aanrecht zat hij, middenin een berg bananenschillen, en keek me triomfantelijk aan. Ook Roel kwam aanrennen, en het beest sprong soepel het keukenraam weer uit. Kwaad zat hij op de grond voor het raam en ontblootte zijn puntige tanden in een gevaarlijke grijns. Snel sloten we het venster en verstopten de overgebleven bananen in de broodtrommel.
Onze nieuwe buren hebben slechte manieren. Ze poepen op het gras en op de was. Ze stelen ons eten. Ze slopen onze tuin. Toch kan ik het niet laten. Ik zit op het terras en zie ze spelen, springend van tak naar tak, alsof ze vliegen. De baby’s, vastgeklemd in stevige omhelzing aan moeders buik, dan loslatend om dartel rond te rennen in een wild tikkertje rond het hek. Ja, ze zijn hondsbrutaal. Maar ze zijn zo schattig.
vrijdag 7 juni 2013
Groener gras
Ik heb een haat-liefde verhouding met verhuizen. De rompslomp, het inpakken, weer al die instanties aanschrijven om je adres te wijzigen, er gaat ontzettend veel tijd in zitten. Al ben ik onderhand behoorlijk ervaren. Alleen al in de laatste zeven jaar verhuisden we vijf keer, in drie landen. Elk kind is in een ander huis geboren. Na de laatste, intercontinentale verhuizing verzuchtte ik, dat ik hier zeker járen zou blijven wonen. Het is nu negen maanden later en u raadt het al: we gaan verhuizen. Het is mijn eigen schuld. Ik ben een nomade, een die altijd wel ergens groener gras ziet.
Heel veel groen deze keer. De eerste keer dat ik ze zag was ik meteen verkocht: Black and White’s, een begrip in Singapore. In deze stad vol torenflats zijn er hier en daar kleine oases te vinden waar, verscholen in het groen, zwart met witte huizen staan. In gigantische, weelderige tuinen. De koloniale huizen zijn gebouwd door de regering, toen die nog Brits was. In ouderwetse stijl, wit, met zwarte accenten, je ziet de memsahibs er zo zitten, in lange witte jurken, zich puffend koelte toewuivend op de veranda’s.
Het gras in de tuinen van deze huizen is niet alleen groener. Er ís tenminste gras. Ons dakterras heeft houten planken. Ik wil er een. De zwart-witte huizen zijn nu eigendom van de Singaporese overheid, die ze verhuurd, per opbod. Veel zijn het er niet, en om er een op de kop te tikken moet je hoog bieden, ver de stad uit gaan, of geluk hebben. Al een tijdje hield ik de website waar maandelijks het kleine aanbod geadverteerd werd in de gaten. En toen er een schattige bungalow op kwam, net buiten de stad maar binnen het schoolbus gebied én redelijk bereisbaar van Roel’s werk, kostte het niet eens heel veel moeite Roel te overtuigen me ons bod in een dichte envelop in de daarvoor bestemde drop box te laten deponeren.
Over een week gaan we. De afgelopen week heb ik de verhuizers geregeld, nu rest de rest. Want deze huizen huur je, in tegenstelling tot de meeste appartementen in Singapore, compleet kaal. Er moeten airco’s in. Fornuis en ijskast. Gordijnen. De tuin is een jungle. Contracten moeten getekend, er moet een nieuwe huurder in ons oude huis, dat ook moet geverfd, gestoomd en gepoetst.
Elke keer dat ik in het nieuwe huis kom, weet ik meteen weer waarom ik het doe. Geen drukke weg, geen bouwgeluiden, alleen het gesnerp van krekels en getjilp van vogels. Daar komt de moestuin, daar het voetbalveldje. Achter, de kruidentuin. De nieuwe eettafel komt buiten, op de veranda. Je waant je wonend in het oerwoud, en een illusie is dat niet. Onze tuin grenst aan het McRitchie Reservoir, het grootste natuurreservaat van Singapore. Natuur kent geen grenzen, en zowel het groen als de oerwoudbewoners komen regelmatig het hek over. Vogels, apen, slangen, en wie weet wat nog meer.
Het nieuwe huis is niet zomaar een huis, het is een avontuur. We blijven er zeker járen wonen. Echt waar.
Heel veel groen deze keer. De eerste keer dat ik ze zag was ik meteen verkocht: Black and White’s, een begrip in Singapore. In deze stad vol torenflats zijn er hier en daar kleine oases te vinden waar, verscholen in het groen, zwart met witte huizen staan. In gigantische, weelderige tuinen. De koloniale huizen zijn gebouwd door de regering, toen die nog Brits was. In ouderwetse stijl, wit, met zwarte accenten, je ziet de memsahibs er zo zitten, in lange witte jurken, zich puffend koelte toewuivend op de veranda’s.
Het gras in de tuinen van deze huizen is niet alleen groener. Er ís tenminste gras. Ons dakterras heeft houten planken. Ik wil er een. De zwart-witte huizen zijn nu eigendom van de Singaporese overheid, die ze verhuurd, per opbod. Veel zijn het er niet, en om er een op de kop te tikken moet je hoog bieden, ver de stad uit gaan, of geluk hebben. Al een tijdje hield ik de website waar maandelijks het kleine aanbod geadverteerd werd in de gaten. En toen er een schattige bungalow op kwam, net buiten de stad maar binnen het schoolbus gebied én redelijk bereisbaar van Roel’s werk, kostte het niet eens heel veel moeite Roel te overtuigen me ons bod in een dichte envelop in de daarvoor bestemde drop box te laten deponeren.
Over een week gaan we. De afgelopen week heb ik de verhuizers geregeld, nu rest de rest. Want deze huizen huur je, in tegenstelling tot de meeste appartementen in Singapore, compleet kaal. Er moeten airco’s in. Fornuis en ijskast. Gordijnen. De tuin is een jungle. Contracten moeten getekend, er moet een nieuwe huurder in ons oude huis, dat ook moet geverfd, gestoomd en gepoetst.
Elke keer dat ik in het nieuwe huis kom, weet ik meteen weer waarom ik het doe. Geen drukke weg, geen bouwgeluiden, alleen het gesnerp van krekels en getjilp van vogels. Daar komt de moestuin, daar het voetbalveldje. Achter, de kruidentuin. De nieuwe eettafel komt buiten, op de veranda. Je waant je wonend in het oerwoud, en een illusie is dat niet. Onze tuin grenst aan het McRitchie Reservoir, het grootste natuurreservaat van Singapore. Natuur kent geen grenzen, en zowel het groen als de oerwoudbewoners komen regelmatig het hek over. Vogels, apen, slangen, en wie weet wat nog meer.
Het nieuwe huis is niet zomaar een huis, het is een avontuur. We blijven er zeker járen wonen. Echt waar.
woensdag 29 mei 2013
Schildpaddenrace
Een stuk van het strand is afgezet met rood-wit gestreept lint. Aan beide kanten verzamelen zich mensen, en in de driehoek wit zand in het midden staat een Indonesische man met een microfoon en twee blauwe emmers. Hij vertelt over zeeschildpadden. Over hoe ze op deze kust eieren leggen, maar bedreigd worden, en hoe dorpelingen een nest opgroeven om de eieren veilig uit te broeden. Vandaag worden de schildpadjes, een dag oud, vrijgelaten. Vrijwilligers mogen helpen. Tijm kijkt me aan en ik geef hem een zetje. De man laat zijn ogen rusten op Tijm, maar kijkt dan verder.
Vijf kinderen krijgen een schildpadje en laten het los op het warme zand om de tocht naar zee te beginnen. De beestjes laten er geen gras over groeien. Onverstoorbaar ploegen ze hun miniatuur flippers door het zand tussen het lawaaiige publiek. Het duurt niet lang voor de eerste onder luid applaus de branding bereikt. Dapper gaan ze door, flapperend met hun flippertjes over de deinende golfjes.
Op het strand zoekt de man met de microfoon nieuwe vrijwilligers. Wie weet wat voor schildpad dit is, vraagt hij? Een tienjarig Australisch meisje weet het antwoord: de karetschildpad. Zij mag over het lint. De volgende vraag, wie of wat deze schildpadden het meest bedreigt krijgt veel antwoorden. Vossen, zeemeeuwen, haaien. Een Singaporees meisje wint de prijs: de mens. En grootschalige strandresorts zoals deze, denk ik, maar niet hardop. Dat zou hypocriet zijn, wij verblijven hier immers ook.
De man zoekt een laatste vrijwilliger, maar voor ik naar Tijm kan wijzen heeft een Amerikaanse moeder haar dreumes onder het lint geduwd. Hij laat zijn schildpadje van veel te hoog vallen, het publiek houd de adem in, tot het na een minuut aarzelend zijn nekje strekt.
De toeschouwers zijn de zee ingelopen, zodat de schildpadjes benen, camera’s en kinderhanden ontwijkend het water door moeten. Normaal gesproken zal maar een op duizend van de kleine beestjes de volwassenheid bereiken. Zullen deze schildpadjes een betere kans hebben, omdat ze beschermd zijn geweest tegen roofdieren op het eerste deel van de gevaarlijke reis? Of beginnen ze hun leven juist gestrestst, gedesoriënteerd door het lawaai? Natuurbescherming is geweldig, aandacht voor bedreigde dieren bij een groot publiek ook, maar het circus dat ik voor me zie heeft een onduidelijke bijsmaak.
De laatste schildpadjes worden vrijgelaten, en ik duw Tijm naar voren om het allerlaatste beestje te ontvangen. Met een brede glimlach zet hij het, heel voorzichtig, in het zand, en we volgen het naar beneden, de broertjes en zusjes achterna. Het haalt ze in, en Tijm en Linde juichen, de onze zal winnen! Stoer schuift ons schildpadje de golven in en omzeilt pootjebadende benen en Jasmijn’s wijzende vingers. Steeds dieper peddelt het, tot we alleen nog een klein hoofdje als een knikker aan de horizon zien dobberen, de ondergaande zon en een onzekere toekomst tegemoet.
We zwaaien het na, hopend dat het een echte winnaar wordt, dat het roofdieren en vissers zal overleven, dat we het niet te gek gemaakt hebben met ons enthousiasme, dat het volwassen zal worden om hier terug te keren, en opnieuw eieren te leggen in het gouden zand van Bintan.
Vijf kinderen krijgen een schildpadje en laten het los op het warme zand om de tocht naar zee te beginnen. De beestjes laten er geen gras over groeien. Onverstoorbaar ploegen ze hun miniatuur flippers door het zand tussen het lawaaiige publiek. Het duurt niet lang voor de eerste onder luid applaus de branding bereikt. Dapper gaan ze door, flapperend met hun flippertjes over de deinende golfjes.
Op het strand zoekt de man met de microfoon nieuwe vrijwilligers. Wie weet wat voor schildpad dit is, vraagt hij? Een tienjarig Australisch meisje weet het antwoord: de karetschildpad. Zij mag over het lint. De volgende vraag, wie of wat deze schildpadden het meest bedreigt krijgt veel antwoorden. Vossen, zeemeeuwen, haaien. Een Singaporees meisje wint de prijs: de mens. En grootschalige strandresorts zoals deze, denk ik, maar niet hardop. Dat zou hypocriet zijn, wij verblijven hier immers ook.
De man zoekt een laatste vrijwilliger, maar voor ik naar Tijm kan wijzen heeft een Amerikaanse moeder haar dreumes onder het lint geduwd. Hij laat zijn schildpadje van veel te hoog vallen, het publiek houd de adem in, tot het na een minuut aarzelend zijn nekje strekt.
De toeschouwers zijn de zee ingelopen, zodat de schildpadjes benen, camera’s en kinderhanden ontwijkend het water door moeten. Normaal gesproken zal maar een op duizend van de kleine beestjes de volwassenheid bereiken. Zullen deze schildpadjes een betere kans hebben, omdat ze beschermd zijn geweest tegen roofdieren op het eerste deel van de gevaarlijke reis? Of beginnen ze hun leven juist gestrestst, gedesoriënteerd door het lawaai? Natuurbescherming is geweldig, aandacht voor bedreigde dieren bij een groot publiek ook, maar het circus dat ik voor me zie heeft een onduidelijke bijsmaak.
De laatste schildpadjes worden vrijgelaten, en ik duw Tijm naar voren om het allerlaatste beestje te ontvangen. Met een brede glimlach zet hij het, heel voorzichtig, in het zand, en we volgen het naar beneden, de broertjes en zusjes achterna. Het haalt ze in, en Tijm en Linde juichen, de onze zal winnen! Stoer schuift ons schildpadje de golven in en omzeilt pootjebadende benen en Jasmijn’s wijzende vingers. Steeds dieper peddelt het, tot we alleen nog een klein hoofdje als een knikker aan de horizon zien dobberen, de ondergaande zon en een onzekere toekomst tegemoet.
We zwaaien het na, hopend dat het een echte winnaar wordt, dat het roofdieren en vissers zal overleven, dat we het niet te gek gemaakt hebben met ons enthousiasme, dat het volwassen zal worden om hier terug te keren, en opnieuw eieren te leggen in het gouden zand van Bintan.
maandag 6 mei 2013
Een heleboel feest
Ik voelde me niet zo lekker. Ik wilde wel eerder schrijven over alle belangrijke dingen die er afgelopen week gebeurden. Over de nieuwe koning. Over Linde, die vier werd en naar groep 1 mocht. Over de Nederlandse expat gemeenschap die niet één dag maar dagenlang feest vierde, in het oranje, om de lokale bevolking te laten zien met hoeveel en hoe gek we wel niet waren. Over de champagnebar in de stad waar de we de inhuldiging zagen, en waar ze naast bitterballen en haring hutspot als barsnack serveerden. Over de vrijmarkt op de Hollandse Club waar de kinderen hun spaarpot leegkochten. Over de grote nieuwe tv waarop we, online, de inhuldiging nog eens zagen, en samen met de kinderen de mooie Máxima en de prinsesjes, in koninklijk blauw, bewonderden. De echte prinsesjes, dan wel blond maar zo anders dan die van Disney, en met hun bolle wangen en gapen zoveel mooier en perfecter.
Zo veel feesten, maar ik, die me niet lekker voelde, kon niet voluit meedoen. Maar hoe je je ook voelt, als moeder is er geen excuus voor een meisje dat vier wordt en een feestje wil. Of voor een vijfjarige jongen die beloofd is dat mama komt helpen met de oud Hollandse spelletjes. Of de tweejarige die alles wil.
Dus hadden we een feestje, de kinderen versierden hun eigen kroon, en cakejes, verkleedden zich als prinsen en prinsessen, zongen Happy Birthday, Lang zal ze leven en aten zelfgebakken aardbeientaart. Linde kreeg prinsessen en Barbie en veel bling. Bij de fietsenwinkel waar we het verjaardagskado gingen uitzoeken stroomden de tranen, toen Linde de zo begeerde prinsessenfiets niet mocht, omdat er ergens een grens is aan hoeveel Disney prinsessen een moeder kan verdragen.
Ook op school, in de nieuwe groep 1d, was er een feestje, en koningin Linde zat gelaten en ietwat verlegen op haar troon in de kring, de grote rode kroon met de 4 op haar blonde lokken. Er werd getrakteerd, dezelfde zakjes met popcorn en snoep als bij het afscheid van de peuterschool een paar dagen eerder. Ophalen mocht ik niet, ze ging wel met de bus terug. En op mijn vragen hoe het was, op school, kwam niet meer antwoord dan dat het leuk was. Ze zei toch dat het leuk was, mama, en stampte naar boven om haar nieuwe prinsessenjurk te halen.
Toen ik bij mijn arts, in het Singaporese ziekenhuis dat meer lijkt op een luxe hotel, klaagde dat het herstel na de operatie zo langzaam ging, had hij maar één advies. Rust. Dus nu lig ik op mijn bed en ontspan mijn lichaam, behalve de toppen van mijn vingers die heen en weer gaan over de toetsen. De feesten zijn voorbij. De prinses is weer naar school. De koningin gaat rusten.
Zo veel feesten, maar ik, die me niet lekker voelde, kon niet voluit meedoen. Maar hoe je je ook voelt, als moeder is er geen excuus voor een meisje dat vier wordt en een feestje wil. Of voor een vijfjarige jongen die beloofd is dat mama komt helpen met de oud Hollandse spelletjes. Of de tweejarige die alles wil.
Dus hadden we een feestje, de kinderen versierden hun eigen kroon, en cakejes, verkleedden zich als prinsen en prinsessen, zongen Happy Birthday, Lang zal ze leven en aten zelfgebakken aardbeientaart. Linde kreeg prinsessen en Barbie en veel bling. Bij de fietsenwinkel waar we het verjaardagskado gingen uitzoeken stroomden de tranen, toen Linde de zo begeerde prinsessenfiets niet mocht, omdat er ergens een grens is aan hoeveel Disney prinsessen een moeder kan verdragen.
Ook op school, in de nieuwe groep 1d, was er een feestje, en koningin Linde zat gelaten en ietwat verlegen op haar troon in de kring, de grote rode kroon met de 4 op haar blonde lokken. Er werd getrakteerd, dezelfde zakjes met popcorn en snoep als bij het afscheid van de peuterschool een paar dagen eerder. Ophalen mocht ik niet, ze ging wel met de bus terug. En op mijn vragen hoe het was, op school, kwam niet meer antwoord dan dat het leuk was. Ze zei toch dat het leuk was, mama, en stampte naar boven om haar nieuwe prinsessenjurk te halen.
Toen ik bij mijn arts, in het Singaporese ziekenhuis dat meer lijkt op een luxe hotel, klaagde dat het herstel na de operatie zo langzaam ging, had hij maar één advies. Rust. Dus nu lig ik op mijn bed en ontspan mijn lichaam, behalve de toppen van mijn vingers die heen en weer gaan over de toetsen. De feesten zijn voorbij. De prinses is weer naar school. De koningin gaat rusten.
donderdag 25 april 2013
De hulp
Het leven in Singapore komt met gemakken. In de vorm van goedkope, de hele dag beschikbare, huishoudelijke hulp. De welgestelde, of zelfs maar gemiddeld gestelde, Singaporese huisvrouw hoeft zich niet bezig te houden met beslommeringen als de was, vloeren dweilen of de boodschappen. Zo is er meer tijd voor belangrijker zaken. Koffie drinken bijvoorbeeld, met vriendinnen.
Terwijl de kinderen het houten winkeltje in de hoek van de woonkamer leegkopen, de poppenwagen rondrijden, of torens van duplo kraaiend omgooien, schenk ik hun moeders nog eens bij met ijsthee. Een vriendin veegt haar voorhoofd af. Warm vandaag. Ik presenteer mijn zelfgemaakte Hollandse ontbijtkoek, die geproefd en goedgekeurd wordt door de Engelse, Australische en Indiase aanwezigen. We praten over bakken. Koken.
En al gauw, over de hulp. De Australische vriendin is al aan haar derde. Of ze kunnen niet schoonmaken, of ze hebben geen overwicht op de kinderen, moppert ze. Ze heeft ook altijd pech. De andere, Indiase, verteld over haar nieuwe hulp, die zes jaar bij een Indiaas gezin werkte, en alles aan benodigde kooktechnieken kende, zei ze. Tot mijn vriendin haar vroeg chapati’s te rollen, met een deegroller. De Filipijnse rolde alleen haar ogen. Waar was de elektrische chapatimaker? Van de vegetarische keuken die mijn vriendin verwachtte begreep het meisje weinig, en ze overwoog haar een cursus te laten volgen. Kookcursussen voor de hulp worden overal aangeboden in Singapore. Westers eten, Chinees, Indiaas, Japans of Koreaans, wat de werkgever ook het liefste eet.
Ik weet niet of er een cursus bestaat die die van mij iets kan brengen, verzucht de Engelse, ze kan eieren laten aanbranden. We knikken al, maar ze roept, nee, echt, letterlijk. Ze had de eieren een uur laten koken, tot het water weg en de pan zwart was. Mijn vriendin zucht nog eens, ze is zo leuk met de kinderen.
Klagen over de hulp. Het beschrevene is onschuldig vergeleken met meer dat ik aanhoorde. In deze ongemakkelijke, maar toch heel menselijke, gesprekken worden de oude koloniale pijnpunten van deze hypermoderne stad wrang blootgelegd. De meisjes, die uit heel arme en afgelegen dorpen uit de Filipijnen of Indonesië komen, hebben vaak weinig gemeen met hun Chinese, Indiase of Westerse werkgevers.
Ik klaag, liever, niet mee. Maar ik ben ook maar een mens, de zon is heet en de ijsthee koel. Mijn grootste klacht? Indah kan te goed koken. En ze doet het zo graag. Ik had me voorgenomen het zelf te blijven doen, maar vaak ben ik in de tropische hitte lui of moe. De middagen zijn vol met zwemles, ballet en voetbal, en kooktijd voor de volwassenen valt steevast samen met de kinderbedtijd, die ik liever niet uit handen geef. Dus laat ik Indah, als die met glimmende pretogen vraagt wat ze vanavond klaar mag maken, veel te vaak de eer. Elk recept dat ik haar geef maakt ze feilloos na, beter dan ikzelf, die me aan geen recept houden kan. Zelfs van mijn, ‘doe maar wat leuks met aubergine en gember’ weet ze wat te maken.
Het beste koken we samen, haar Aziatische ervaring en uitmuntende snijkunsten gekoppeld aan mijn Westerse en technische kennis. We zijn een goed team, mijn Indonesische hulp en ik. In onze keuken creëren we echte ‘fusion’.
Ditzelfde verhaal, maar dan met een lekker recept van Indah voor vis in ketjap manis, vind je ook hier
Terwijl de kinderen het houten winkeltje in de hoek van de woonkamer leegkopen, de poppenwagen rondrijden, of torens van duplo kraaiend omgooien, schenk ik hun moeders nog eens bij met ijsthee. Een vriendin veegt haar voorhoofd af. Warm vandaag. Ik presenteer mijn zelfgemaakte Hollandse ontbijtkoek, die geproefd en goedgekeurd wordt door de Engelse, Australische en Indiase aanwezigen. We praten over bakken. Koken.
En al gauw, over de hulp. De Australische vriendin is al aan haar derde. Of ze kunnen niet schoonmaken, of ze hebben geen overwicht op de kinderen, moppert ze. Ze heeft ook altijd pech. De andere, Indiase, verteld over haar nieuwe hulp, die zes jaar bij een Indiaas gezin werkte, en alles aan benodigde kooktechnieken kende, zei ze. Tot mijn vriendin haar vroeg chapati’s te rollen, met een deegroller. De Filipijnse rolde alleen haar ogen. Waar was de elektrische chapatimaker? Van de vegetarische keuken die mijn vriendin verwachtte begreep het meisje weinig, en ze overwoog haar een cursus te laten volgen. Kookcursussen voor de hulp worden overal aangeboden in Singapore. Westers eten, Chinees, Indiaas, Japans of Koreaans, wat de werkgever ook het liefste eet.
Ik weet niet of er een cursus bestaat die die van mij iets kan brengen, verzucht de Engelse, ze kan eieren laten aanbranden. We knikken al, maar ze roept, nee, echt, letterlijk. Ze had de eieren een uur laten koken, tot het water weg en de pan zwart was. Mijn vriendin zucht nog eens, ze is zo leuk met de kinderen.
Klagen over de hulp. Het beschrevene is onschuldig vergeleken met meer dat ik aanhoorde. In deze ongemakkelijke, maar toch heel menselijke, gesprekken worden de oude koloniale pijnpunten van deze hypermoderne stad wrang blootgelegd. De meisjes, die uit heel arme en afgelegen dorpen uit de Filipijnen of Indonesië komen, hebben vaak weinig gemeen met hun Chinese, Indiase of Westerse werkgevers.
Ik klaag, liever, niet mee. Maar ik ben ook maar een mens, de zon is heet en de ijsthee koel. Mijn grootste klacht? Indah kan te goed koken. En ze doet het zo graag. Ik had me voorgenomen het zelf te blijven doen, maar vaak ben ik in de tropische hitte lui of moe. De middagen zijn vol met zwemles, ballet en voetbal, en kooktijd voor de volwassenen valt steevast samen met de kinderbedtijd, die ik liever niet uit handen geef. Dus laat ik Indah, als die met glimmende pretogen vraagt wat ze vanavond klaar mag maken, veel te vaak de eer. Elk recept dat ik haar geef maakt ze feilloos na, beter dan ikzelf, die me aan geen recept houden kan. Zelfs van mijn, ‘doe maar wat leuks met aubergine en gember’ weet ze wat te maken.
Het beste koken we samen, haar Aziatische ervaring en uitmuntende snijkunsten gekoppeld aan mijn Westerse en technische kennis. We zijn een goed team, mijn Indonesische hulp en ik. In onze keuken creëren we echte ‘fusion’.
Ditzelfde verhaal, maar dan met een lekker recept van Indah voor vis in ketjap manis, vind je ook hier
maandag 15 april 2013
De mooiste speeltuin
Het werd tijd onze peuters en kleuters wat cultuur bij te brengen en we boekten een reis van vijf dagen naar Cambodja, om de beroemde tempels van Angkor Wat te bezichtigen. Bij het inpakken bladeren we door de reisgids, en lezen dat April de heetste maand van het jaar is. Veertig graden in de schaduw. Minstens.
De hitte schrikt ons niet af, en om half acht gaan we op pad, vroeg wakker waren we toch al, en nu is het nog koel. Mr Ouch, chauffeur van onze tuk tuk, een karretje met twee bankjes achter een stevige brommer, zal ons deze week heen en weer tuffen. Met de hete wind in ons haar, rood stof overal, proberen we peuterhandjes en pinguïns binnenboord te houden.
We lopen het park van Angkor Wat door en de indrukwekkende toegangspoort in. Tijm rent meteen een stapel zandstenen blokken op. ‘Kom Linde, klimmen!’
In de tempels, met hun galerijen, trappen en torens kun je heerlijk dwalen en klauteren. Het is de mooiste speeltuin van de wereld.
Allemaal klimmen we hoger, de torens op, en om elke hoek wordt het prachtiger. Schitterende reliëfs en beelden zijn uitgekerfd in zandsteen, bijna een millennium oud. Danseressen met sierlijk gekrulde vingers. Mysterieus glimlachende boeddha’s. Grimassende leeuwen. Ik wijs naar een hele steile trap, op de top van deze deels boeddhistische, deels hindoestaanse tempel, zo steil dat kinderen er niet op mogen, en ik lees voor uit de gids, dat die zo steil is, omdat de weg naar god nu eenmaal moeilijk is.
De hitte schrikt ons niet af, en om half acht gaan we op pad, vroeg wakker waren we toch al, en nu is het nog koel. Mr Ouch, chauffeur van onze tuk tuk, een karretje met twee bankjes achter een stevige brommer, zal ons deze week heen en weer tuffen. Met de hete wind in ons haar, rood stof overal, proberen we peuterhandjes en pinguïns binnenboord te houden.
We lopen het park van Angkor Wat door en de indrukwekkende toegangspoort in. Tijm rent meteen een stapel zandstenen blokken op. ‘Kom Linde, klimmen!’
In de tempels, met hun galerijen, trappen en torens kun je heerlijk dwalen en klauteren. Het is de mooiste speeltuin van de wereld.
Allemaal klimmen we hoger, de torens op, en om elke hoek wordt het prachtiger. Schitterende reliëfs en beelden zijn uitgekerfd in zandsteen, bijna een millennium oud. Danseressen met sierlijk gekrulde vingers. Mysterieus glimlachende boeddha’s. Grimassende leeuwen. Ik wijs naar een hele steile trap, op de top van deze deels boeddhistische, deels hindoestaanse tempel, zo steil dat kinderen er niet op mogen, en ik lees voor uit de gids, dat die zo steil is, omdat de weg naar god nu eenmaal moeilijk is.
‘Waarom is de weg naar god moeilijk?’ vraagt Tijm.
Ik zucht en denk na. ‘Omdat de weg naar god gaat door lief te zijn,’ suggereer ik, ‘en omdat het voor veel mensen makkelijker is om stout te zijn.’
Tijm knikt, en ik ben blij dat hij niet verder vraagt. Vandaag tenminste niet. Op deze prachtige plek.
De volgende dag, bij een zijtempel van de Bayon in het Angkor Thom complex, zien we een net zo steile, maar veel kortere trap. Hier geen hek of bord met geboden, en natuurlijk moet Tijm naar boven. Daarna Linde, en als die terug is roept Jasmijn, net twee, in haar zangerige stemmetje ‘en nu ik, papa’.
Als Jasmijn weer beneden is krijgt ze applaus van een groep Koreaanse toeristen, en trots poseert ze voor hun knippende Ipads. Ze lachen, maar zelf durven ze niet.
Tijm en Linde zijn alweer verder, een stapel blokken op, en ik ren achter ze aan voor er ongelukken gebeuren, met de kinderen of de duizend jaar oude tempel.
‘Kom ook mama,’ roept Tijm. ‘Ik ben al op level twee.’
Even later hebben we allemaal level dertien bereikt en is het game over. Het mooiste spel dat we ooit speelden.
We zien meer tempels, nog veel meer, elke ochtend, tot het te heet wordt en Mr Ouch ons terugbrengt naar ons hotel met het kleine zwembadje op de binnenplaats, waar we de hitte van de middag uitzitten tot het tijd wordt voor een rustig tochtje in de tuk tuk, en de Cambodjaanse keuken eens te gaan proberen.
Na veel klimmen, over boomwortels en stenen, dwalen, slingeren aan lianen, wordt op de laatste dag verzucht, niet nog een tempel, mama, alsjeblieft. Genoeg. Te moe om te lopen in de hitte brengt de tuk tuk uitkomst, en we rijden rond en rond, tot we alles gezien hebben.
Dan staan we weer op het vliegveld van Siem Reap voor de vlucht naar huis. We hebben zo veel gezien. We hebben zo veel geklommen. Het leukste van de vakantie? De kinderen weten het wel. De tuk tuk, roepen ze, unaniem.
Jaja, jullie willen foto's zien... dat mag...
Kijk maar gauw op mijn Facebook pagina
Ik zucht en denk na. ‘Omdat de weg naar god gaat door lief te zijn,’ suggereer ik, ‘en omdat het voor veel mensen makkelijker is om stout te zijn.’
Tijm knikt, en ik ben blij dat hij niet verder vraagt. Vandaag tenminste niet. Op deze prachtige plek.
De volgende dag, bij een zijtempel van de Bayon in het Angkor Thom complex, zien we een net zo steile, maar veel kortere trap. Hier geen hek of bord met geboden, en natuurlijk moet Tijm naar boven. Daarna Linde, en als die terug is roept Jasmijn, net twee, in haar zangerige stemmetje ‘en nu ik, papa’.
Als Jasmijn weer beneden is krijgt ze applaus van een groep Koreaanse toeristen, en trots poseert ze voor hun knippende Ipads. Ze lachen, maar zelf durven ze niet.
Tijm en Linde zijn alweer verder, een stapel blokken op, en ik ren achter ze aan voor er ongelukken gebeuren, met de kinderen of de duizend jaar oude tempel.
‘Kom ook mama,’ roept Tijm. ‘Ik ben al op level twee.’
Even later hebben we allemaal level dertien bereikt en is het game over. Het mooiste spel dat we ooit speelden.
We zien meer tempels, nog veel meer, elke ochtend, tot het te heet wordt en Mr Ouch ons terugbrengt naar ons hotel met het kleine zwembadje op de binnenplaats, waar we de hitte van de middag uitzitten tot het tijd wordt voor een rustig tochtje in de tuk tuk, en de Cambodjaanse keuken eens te gaan proberen.
Na veel klimmen, over boomwortels en stenen, dwalen, slingeren aan lianen, wordt op de laatste dag verzucht, niet nog een tempel, mama, alsjeblieft. Genoeg. Te moe om te lopen in de hitte brengt de tuk tuk uitkomst, en we rijden rond en rond, tot we alles gezien hebben.
Dan staan we weer op het vliegveld van Siem Reap voor de vlucht naar huis. We hebben zo veel gezien. We hebben zo veel geklommen. Het leukste van de vakantie? De kinderen weten het wel. De tuk tuk, roepen ze, unaniem.
Jaja, jullie willen foto's zien... dat mag...
Kijk maar gauw op mijn Facebook pagina
Abonneren op:
Posts (Atom)
